woensdag 17 december 2014

Zonder verlichting


Een snerpend geluid vulde de slaapkamer. Jaap schrok wakker. Twee keer had hij op snooze gedrukt en even zo vaak was hij weer in slaap gevallen. De derde keer snooze trok hem abrupt uit zijn slaap. Hij had eerder naar bed moeten gaan, dan had hij vlotter op kunnen staan. Nu moest hij wéér haasten, net als alle voorgaande dagen. Hij leerde het ook nooit. Kreunend stapte hij uit bed, trok zijn pyjama uit, stapte in zijn broek, trok een trui over zijn hoofd en sjokte naar de keuken om te ontbijten. Tijd om brood te smeren was er niet. Hij greep een boterham, propte die in zijn mond, greep een pak hagelslag en zette deze aan zijn mond. Een stroompje hagelslag gleed zijn mond in en vermengde zich al kauwend met het brood. Een slok water zorgde ervoor dat hij de brij kon doorslikken.

Even later stond hij buiten bij zijn fiets. Het was snijdend koud. Vannacht had het flink gevroren en de kou verkrampte zijn vingers bij het ontgrendelen van zijn fietsslot. Hij moest nu echt haast maken, anders kwam hij te laat op zijn werk. Jaap ontwikkelde sinds een jaar cursussen voor het bedrijfsleven en de overheid en haalde daar veel voldoening uit, maar ’s ochtends op tijd beginnen was een zware opgave voor hem.

De duisternis was nog niet uit de lucht, de zon zou nog zeker een half uur onder de horizon blijven. Hij drukte de dynamo op zijn voorband, stapte op de fiets en versnelde in de richting van het centrum. Na tien seconden reed hij op volle snelheid. De dynamo loeide en de fietslamp gloeide maximaal. Bij het naderen van het kruispunt zag hij de straatklinkers glinsteren in het oranje schijnsel van de straatlantaarns. De bewondering voor dit schouwspel sloeg snel om in vrees toen het besef doordrong dat de klinkers waren bedekt met een filterdun laagje ijs. Hij probeerde af te remmen maar zijn snelheid lag te hoog, met als gevolg dat hij doorschoot op de ijzige vlakte en zijn voorwiel zijdelings weggleed. Met een harde smak belandde hij op de straat en gleed enkele meters door. De trapper kraste over de klinkers terwijl hij krampachtig het stuur bleef vasthouden. De glijpartij eindigde met een doffe dreun tegen de stoeprand.

Oef.

“Gaat het?”, vroeg een bezorgde voorbijganger. De man keek hem fronsend aan.

“Het gaat”, antwoordde hij met geknepen stem terwijl hij de uitgestoken hand van de voorbijganger dankbaar aanvaardde, waarna hij zich omhoog liet trekken. Zijn knie, heup, pols, elleboog en schouder voelden beurs aan. Zijn broek was ter hoogte van zijn linkerknie gescheurd en uit zijn knie liep een stroompje bloed.

“Daar moet je wel even naar laten kijken, sprak de behulpzame man bezorgd”.

“Zal ik doen”, zei hij. Ondertussen trok hij het fietsstuur recht en nam hij met enige moeite weer plaats op zijn fiets. Hij bedankte de behulpzame burger en vervolgde zijn weg. Tot zijn ergernis merkte Jaap dat de trapper was verbogen, het achterspatbord aanliep en er een slag in het voorwiel zat. Hij baalde, zuchtte en schudde zijn hoofd. Plots zag hij een tiental meters voor hem een bordje oplichten. ‘Stop’ stond er op het bordje. Klaarovers? Hier?

“Stap maar af”, hoorde hij een man in uniform zeggen. Politie!

“Wat is er aan de hand?”

“Je rijdt zonder verlichting.”

“Nee hoor…..”. Zijn stem doofde uit. Hij realiseerde zich nu pas dat zijn koplamp was gesneuveld door de valpartij.

“Je krijgt een proces-verbaal voor het rijden zonder verlichting”.

Jaap kneep zijn ogen even samen en reageerde vervolgens fel op deze ongewenste aankondiging.

“Ik ben net gevallen man! Ik lig in de kreukels! Als je goed had opgelet had je mij zojuist tegen het wegdek kunnen zien smakken, met mijn licht aan! Gevallen omdat de gemeente niet gestrooid had op een kritiek punt! Je zou ook mededogen kunnen tonen in plaats van boetes uitdelen”.

Hij was écht boos. De frustratie over de val kwam er in felle bewoordingen uit. De agent bleef stoïcijns tijdens zijn tirade. “Heb je een legitimatiebewijs bij je?”

“Misschien, weet ik niet, in mijn tas waarschijnlijk”. Hij stapte af, trok zijn fiets de stoep op en plaatse deze tussen de agent en hemzelf.

“Wat gaat dit geintje kosten”, vroeg hij geagiteerd?

“Zeventig euro, vijfendertig per licht, voor en achter”.

“Zeventig euro?! Daar koop ik een andere fiets voor!”

Daar koop ik een andere fiets voor, herhaalde hij mompelend. Hij keek naar de agent die zijn bonnenboekje tevoorschijn trok, keek daarna vlug om zich heen en maakte een razendsnelle afweging. In het schijnsel van de straatlantaarns was hij nauwelijks herkenbaar in zijn donkerblauwe winterjas en rode pet. Hij nam een rebels besluit. Zonder vooraankondiging liet hij zijn fiets los en sprintte hij er vandoor. De fiets viel met luid gekletter op de stoep, voor de voeten van de agent. Hij sprong over een paar struiken en rende een park in. Hij bleef rennen tot aan de andere kant van het park. Zijn knie protesteerde, zijn hele lichaam protesteerde, maar hij was niet van plan zich te laten bekeuren omdat hij averij had opgelopen na een flinke valpartij. Hij had een sterk gevoel van rechtvaardigheid en een bekeuring botste met dat gevoel. Hij nam de pet van zijn hoofd, trok zijn jas uit, keerde deze binnenstebuiten waardoor de rode voering hem een totaal ander aanzien gaf. Hij liep zo snel mogelijk richting huis, aan de kant van de straat waar geen lantaarns staan. Er waren helaas weinig mensen op straat zodat hij niet in een meute kon opgaan. Even verderop stonden bomen, die hem extra beschutting konden geven. Hij keek schuchter om zich heen en versnelde zijn pas. Hij leek de dans te ontspringen. Geen agenten, geen politiewagens, geen sirenes of zwaailichten. Zonder verdere problemen bereikte hij zijn huis, opende de deur en ging snel naar binnen. De duisternis had hem gered.

Zijn hart bonkte op volle snelheid. Hij voelde het in zijn borst en in zijn hoofd. Jaap gaf zichzelf een minuut om weer rustig te worden, greep toen de telefoon en toetste het nummer in van zijn werkgever, met wie hij om acht uur een overleg zou hebben over de voortgang van de opzet van de cursus ‘Integriteit’ waar hij aan werkte.

“Met Jaap. Ik ben ziek. Ik had nog willen komen, maar mijn fiets blijkt ook nog te zijn gestolen…. Inderdaad, balen! Ik heb de puf niet om te gaan lopen, ik heb hoofdpijn en rillingen. Ja, ik duik zo mijn bed weer in. Ik spreek je later……..”.

vrijdag 21 november 2014

Over de grens


Het was een kapitale blunder met verstrekkende gevolgen. Ik kwam op het verkeerde tijdstip, was op de verkeerde plek gaan zitten en had de verkeerde houding aangenomen. Ik verwijt mijzelf dat ik mij slecht op deze taak had voorbereid waardoor ik op het kritieke moment was gaan twijfelen. De militairen hadden mijn vertwijfelde handelingen gadegeslagen, hadden mij ingesloten, opgepakt en meegenomen naar Fort Zeelandia waar ik mijn fotofilmpje moest inleveren.

Waarschijnlijk heb ik maximaal een dag de tijd om de grens over te gaan voordat de militairen er achter zullen komen dat ik het belichte filmpje heb verwisseld voor een ongebruikt exemplaar. En snel daarna zal blijken dat ik als verblijfplaats een vals adres heb opgegeven. Mijn onvoorzichtigheid heeft de dominostenen in beweging gebracht en één voor één zullen ze gaan omvallen. Er bestaat een kans dat, als de munt de verkeerde kant op valt, ik mijn dekmantel zal moeten prijsgeven waarna spoedig duidelijk zal worden dat ik, Teun de Vries, geen student ben. Zover wil ik het niet laten komen.

Twee jaar lang, vanaf begin 1989, kreeg ik wekelijks instructies via een contactpersoon. De klusjes waren kruimelwerk: afluisterpraktijken, fotograferen van vertrouwelijke documenten, verkennen van militair gebied. Ik was er goed in, voelde me als een vis in het water. Maar gisteren verslapte ik en maakte daardoor een beginnersfout. En nu moet ik mij voor mijn veiligheid uit de voeten maken, het land uit via een niet voor de hand liggende route. Het belangrijkste is dat ik rustig blijf, geen argwaan wek. Het heeft geen zin om mij te verschuilen tijdens mijn vlucht. Iedereen kent mij immers, in ieder geval van gezicht, dus hoe natuurlijker ik mij gedraag, hoe minder vragen ik krijg, hoe sneller ik het land kan verlaten. Vooralsnog word ik niet gezocht en kan ik gaan en staan waar ik wil.

De Cortina is afgetankt, de olie bijgevuld, een jerrycan met benzine gevuld, alle banden inclusief reserveband zijn op spanning gebracht, zelfs de linker achterband waarvan het ijzer door het canvas heen prikt, dus ik kan vertrekken. Alleen de meest noodzakelijke spullen zijn ingepakt, een setje kleding, toiletartikelen, papieren en helemaal onderin de tas het fotofilmpje. Mijn Honda XL laat ik achter bij de buren. Ik ga in alle vroegte op weg naar Albina, om daar de grensrivier over te steken. Voor mij is dat bekend gebied, ik heb er diverse opdrachten moeten uitvoeren. Als zogenaamd student gingen er veel deuren voor mij open, vertrouwen winnen ging mij gemakkelijk af. Het is frappant om te zien hoe snel mensen dan hun mond voorbij praten zonder dat ze het zelf in de gaten hebben.

De rode Ford kreunt in zijn veren maar het rijdt. Ik hobbel de zandwegen van Meerzorg af en kom op de Oostwest verbinding. De motor gorgelt als een Amerikaanse achtcilinder. De ervaring leert dat ik elke vijftig kilometer het oliepeil moet controleren want het olieverbruik van de versleten motor is exorbitant.

Ik zit achter het stuur met het raampje open. Mijn linkerarm laat ik op het portier rusten. Ik weet niet hoe hard ik rij want de kilometerteller is defect, maar ik schat dat de snelheid rond de zestig kilometer per uur ligt. Hard genoeg gezien de staat van onderhoud van deze auto. Na een half uur ben ik voorbij Tamanredjo, een Javaanse kampong, opgericht voor voormalige plantagearbeiders die uit Commewijne wilden wegtrekken, naar de stad of terug naar Java. Door de landbouw in het gebied te ontwikkelen hoopte men de mensen in het district te kunnen houden. Na de blamage met de rijstontwikkeling in dit district richt men zich nu met meer succes op de fruitteelt. Er zijn inmiddels proefvelden aangelegd voor bacoven en voor citrus, kers en markoesa.

Er staan veel huizen langs de Oostwest. Kleurrijke huizen op palen met een erf rondom. De lintbebouwing wordt afgewisseld met grote stukken weidegrond of braakliggende percelen. Gelet op de gemoedelijke gekleurde vlaggetjes in de tuinen wonen hier voornamelijk Hindoestanen. Op de erven en langs de weg staan veel autowrakken, wegrottende klassiekers die groen zijn uitgeslagen van de algen en het mos, soms met grote kapoewiri planten in het interieur of onder de motorkap. De natuur grijpt om zich heen en maakt haar eigen wat haar ooit is ontnomen.

Een kleine tien kilometer voorbij Tamanredjo passeer ik de Orleanekreek. De kreek wordt ook wel de Hoer Helenakreek genoemd, hetgeen meer tot de verbeelding spreekt maar ook meer vragen oproept. Ter hoogte van de brug over de kreek staat een oud houten huis in de kenmerkende koloniale bouwstijl, in een verregaande staat van verval. Het hout is kaal, de balkons hangen scheef en de deuren zijn uit de scharnieren geknapt. Het pand bezorgt me koude rillingen.

Ter hoogte van kilometer 34, in de nabijheid van Slootwijk, word ik geconfronteerd met de eerste zichtbare sporen van de acties van het Junglecommando. Vanaf hier zal ik extra waakzaam moeten zijn. Een platte stalen brug is opgeblazen met een flinke lading springstof. Een houten noodbrug is naast de oude brug gelegd. De oude brug is niet afgezet zodat het lijkt of mij de keuze wordt gelaten: de oude, ingezakte brug of de nieuwe, enigszins gammele houten noodbrug. Ik kies voor de noodbrug waarna ik plantage Slootwijk passeer en verder rij richting Stokertijver, waar de brug over de rivier de Commewijne ligt, de grensrivier tussen de districten Commewijne en Marowijne. De brug is een ijzeren vakwerkbrug. Het talud is steil want de brug ligt hoog boven de rivier omdat de schepen die het bauxiet vanuit Moengo naar Paramaribo verschepen onder de brug door moeten kunnen. De versleten Ford heeft moeite met de helling maar komt boven. De omgeving hier is desolaat. In vroeger tijden was dit een tolbrug. De sporen van slagbomen, tolhuisjes en een kantoor zijn nog duidelijk aanwezig. Een verlopen café ligt aan de overkant langs de oever van de rivier. Ook hier is het Junglecommando actief geweest. Alles wat enigszins bruikbaar en transportabel was is meegenomen. Er zijn geen beambten meer, geen militairen en geen burgers. Een spookplaats langs de Oostwest. Ik stap even uit om te drinken en de omgeving nog één keer in mij op te nemen.

Op de Commewijnerivier vaart een bosneger in een korjaal. Waarschijnlijk heeft hij gevist en keert hij terug naar zijn dorp of zijn hut nabij een kostgrondje. De mensen in dit gebied zijn ontheemd geraakt door de burgeroorlog. Veel huizen zijn in vlammen opgegaan, de bewoners verdreven door het oorlogsgeweld. De regeringsmilitairen waren op jacht naar de leden van het Junglecommando. Dorpen die ervan werden verdacht te sympathiseren met Brunswijk werden fanatiek doorzocht en geplunderd. In maart 1991 werd de vrede getekend, net een maand geleden, maar de vrede moet nog formeel bekrachtigd worden door de regering.

In Marowijne is de Oostwest verbinding beduidend smaller geworden. De slecht onderhouden wegberm rukt op naar het midden van de weg waardoor het asfalt een paar meter heeft moeten prijsgeven aan het groen. Slechts sporadisch kom ik huizen tegen langs de kant van de weg, verscholen achter struiken en bomen. De meeste huizen zijn toegankelijk via een modderig pad vanaf de Oostwest, hier en daar bedekt door planken en takken. De mensen hier zijn voor de watervoorziening aangewezen op regenwater. Af en toe loopt er een eenzame Marron langs de weg, schijnbaar op weg naar niets, afkomstig uit het niets. Ik ben blij dat de auto rustig blijft brommen, zonder bandenpech of motorstoringen.

Ondanks de lage snelheid kan ik geen moment mijn ogen van de weg halen. Voor mij duikt een grote rode plek op: bauxiet. Ronnie heeft in het heetst van de burgeroorlog wegversperringen aangebracht door het wegdek op te blazen. Grote gaten waren het gevolg. De meeste gaten zijn met bauxiet dichtgegooid, enkele andere gaten worden handig omzeild door een hobbelig pad links en rechts van de gaten. Zowel de bauxietplekken als de wegomleggingen zijn goede snelheidsremmers. Ik rij er stapvoets overheen, op mijn hoede voor gaten, boobytraps en slippartijen. Je moet hier niet ’s nachts gaan rijden. Vooral de niet dichtgegooide gaten worden slecht aangegeven. Er staat slechts een lege oliedrum op het midden van de weg, zonder reflectiestrepen. Degene die hier met tachtig kilometer per uur aan komt scheuren gaat gegarandeerd de kuil in, die toch zeker vier meter diep is.

Na circa 95 kilometer en 2 uur rijden kom ik in Moengo aan. Een groot bord in de keurig onderhouden berm van de toegangsweg heet mij WELKOM namens Suralco, de bauxietonderneming. Het stadje oogt verre van gastvrij. Rechts van de weg ligt een verwaarloosd vliegveld met twee vliegtuigwrakken. Het bord AIRPORT hangt armetierig aan een klein wit houten gebouwtje, ooit het zenuwcentrum van deze luchthaven. Moengo heeft een moderne, Amerikaanse opzet. De straten zijn breed, de huizen staan vrij van elkaar maar er heerst een moedeloze sfeer. Een groot deel van de bewoners is weggetrokken naar Paramaribo na de gevechten tussen Junglecommando en regeringsleger. Ik zie veel woningen met kogelgaten in de buitenmuren. Er is vrijwel niemand op straat. Ik voel me ongemakkelijk en wil hier snel weer weg.

Ik stop aan de rand van de bebouwde kom bij een verlaten restaurant en gooi, na motorolie te hebben bijgevuld, nog een paar liter benzine uit de jerrycan in de vulopening van de benzinetank. Hoe verder naar het oosten hoe duurder de brandstof is. Er wordt veel brandstof gesmokkeld vanuit Commewijne naar Marowijne om vervolgens verhandeld te worden in Albina. Het merendeel verdwijnt naar Frans-Guyana. Brandstof die door Suriname is ingekocht en betaald met schaarse buitenlandse valuta verdwijnt via illegale kanalen linea recta naar het buurland. Over de grens in Frans Guyana brengt de brandstof waarschijnlijk 10 tot 15 keer zo veel op, omdat een liter in Suriname omgerekend slechts 15 cent kost. De gevolgen zijn zichtbaar. Tankstations in Commewijne gaan sneller dan ooit dicht omdat de tankhouders brandstof reserveren voor de zwarte handel, waarmee ze minimaal tien keer meer verdienen dan met de reguliere verkoop.

Als bestuurder moet ik continu op de hoede zijn voor plotselinge kronkels van een geul in het midden van de weg. Mijn weghelft wordt als gevolg van de geul flink smaller. De wielen van de auto weet ik ternauwernood op de weg te houden. Ten tijde van de burgeroorlog is het wegdek opengetrokken met een landbouwwerktuig. Bijna over de gehele lengte van de weg naar Albina loopt, min of meer over de as, een kronkelende geul die de weg heeft gehalveerd. De kronkels beginnen een beetje op mijn zenuwen te werken. Er zit namelijk zoveel speling in de stuurkolom van de Ford dat het stuur negentig graden gedraaid kan worden zonder van de lijn af te wijken, hetgeen het lastig maakt om tussen de wegberm en de geul in het wegdek te manoeuvreren. Na circa drie kwartier bereik ik Albina, met het zweet op mijn voorhoofd en mijn knokkels wit van de spanning.

De entree in Albina is een entree van droefenis. Huizen zijn verlaten, kapotgeschoten en overwoekerd door snelgroeiende planten. Er zitten grote gaten in het wegdek, planken en golfplaten liggen her en der verspreid. Ik bevind me hier in oorlogsgebied. Het is hier ook na de wapenstilstand nog regelmatig onrustig. Voor mij bedekt een grote plas de gehele breedte van de weg. Links en rechts van de weg, daar waar ooit een mooie strakke berm de scheidslijn vormde tussen asfalt en woonerf, staat kapoewiri. Ik voel niet de behoefte om daar doorheen te rijden dus stuur ik de Ford naar de rand van de plas zodat de linkerwielen nog net droog blijven en rij voorzichtig verder. Plotseling valt de rechterkant van de auto een dertigtal centimeters naar beneden. Het gladde wateroppervlak ontnam mij het zicht op de diepe krater in het wegdek. Van schrik geef ik extra gas en rij de arme Ford door het troebele water. Het water staat korte tijd tot vlak onder de deurklink. Binnen een paar seconden sta ik gelukkig weer op het droge, de auto druipend van de modder en rokend van de damp. Wat staat me nog meer te wachten, hier in dit kapotgeschoten oord?

Ik rij verder in de richting van de rivier waarvan de oever de oostelijke grens van het land vormt. Aan de overkant van de rivier ben ik veilig, aan deze kant is mijn lot nog onzeker. De uitgestorven indruk die Albina bij de entree van de bebouwde kom maakt is aan de waterkant geheel verdwenen. Er heerst een grote bedrijvigheid. De waterkant vormt het handelscentrum, hier komen de vrachtwagens en personenbusjes aan om goederen te laden en te lossen en passagiers op te pikken. Het zijn voornamelijk Creolen die het straatbeeld bepalen. De veerpont ligt werkloos aan de oever omdat er ongetwijfeld onderdelen uit gestolen zijn waardoor het gevaarte niet meer op eigen kracht kan varen. Een aantal kleurrijke bootjes dobbert op de Marowijnerivier, wachtend op vracht. De bootjes hebben verschillende bestemmingen, afhankelijk van de wensen van de passagiers. Smokkelaars gaan naar Frans Guyana aan de overkant. lndianen zullen in noordelijke richting varen, richting Galibi. Creolen die in de stad wonen gaan op familiebezoek in het binnenland. Zij varen stroomopwaarts richting Stoelmanseiland, het voormalige hoofdkwartier van het Junglecommando. Ik moet naar Frans Guyana.

Een provisorische wegblokkade doemt op en belemmert mijn doorgang. Dit past niet in mijn vluchtplan en is precies waar ik vanochtend voor vreesde. Mijn hart klopt in mijn keel als twee militairen, bewapend met een automatisch geweer, naar mij toe lopen en naast de auto komen staan. Eén van de twee heb ik hier vaker gezien. Hij mij ook. Ik probeer mijn gezicht in de plooi te houden.

"Waar ga je naar toe?".
"Ik wil naar een strandje om te zwemmen".

Ik wijs in noordelijke richting.

"Maak de kofferbak open".

De binnenlandse oorlog ligt nog vers in het geheugen dus men is alert. Wat mogelijk tegen mij kan werken is de recente signalering van Franse huurlingen in dit gebied. Deze goed getrainde strijders zijn net als ik blank en zullen, net als ik, geen net pak dragen. Ze hebben veelal een ongeschoren hoofd en een hoofdband. Ik kijk naar mijzelf in de achteruitkijkspiegel en zie het ruwe uiterlijk van een huurling.

Ik stap uit om de militairen zicht te geven op een vrijwel lege jerrycan met brandstof en een jerrycan met water. Men is hier nog steeds waakzaam, bang voor aanslagen. Na enkele beroepsmatige wantrouwende blikken gebaren de mannen dat ik kan doorrijden. Buiten het zicht van de militairen slaak ik een zucht van verlichting. Er is blijkbaar nog geen opsporingsbevel vanuit Paramaribo richting Albina gegaan. Dat geeft me tijd om mijn overtocht te regelen.

Ik rij verder in noordelijk richting, uit het zicht van de militairen en kom bij een houten brug die is opgebouwd uit dwarsliggers met daar overheen rijplanken die in de lengterichting liggen. De brug kraakt als de zware Ford er overheen rijdt. Iets voorbij de brug, aan de rechterkant van de weg, staat een groot bord met het embleem van de Tucajana Amazons. Ik bevind me nu in hun territorium. Deze groep indianen stond aan de zijde van Bouterse en werd zwaar bewapend in de strijd tegen de binnenlandse vijand. Ik rij richting het noordelijk gelegen indianendorpje Frowarte en zie langs de weg een Tucajana met een geweer in zijn hand vervaarlijk naar me kijken. Weten ze hier wel dat de oorlog sinds vorige maand voorbij is? Ik betwijfel het. Het is hier afgelegen, op hulp hoef ik in een noodsituatie niet te rekenen.

Ik parkeer de Ford onder een beschadigde koningspalm bij een strandje. De palm heeft zijn Koninklijke status verloren na de staatsgreep en de daarop volgende binnenlandse oorlog. Ze heeft zichtbaar geleden onder de strijd, haar monarchie is ten einde. De omgeving ademt niet langer de sfeer van het paradijs. De palmen die nog wel fier overeind staan doen denken aan een tropisch eiland, maar de combinatie van plakkerige lucht, het rommelige strandje en het troebele rivierwater zijn verre van idyllisch.

Een bootje komt langs varen op twintig meter van de oever. Ik gebaar de bootsman naar mij toe te komen waar hij direct gehoor aan geeft. De sleutels van de auto gooi ik op de bestuurdersstoel. De auto laat ik achter, ik heb er niets meer aan. Ik werp een laatste blik op de auto en zie dat de linker achterband is leeggelopen.

“Fawaka?”
“Ala suni bun”.
“Kan je mij naar de overkant brengen?”
“Heb je geld?”
“Ik geef je vijftig dollar, in briefjes van tien”.
“Paspoort?”
“Ja, Nederlands, met alle benodigde stempels”.

Ik hou mijn paspoort even omhoog om de bootsman te overtuigen.

Op dat moment gaat in het politiebureau van Albina de telefoon. De dienstdoende agent neemt met een verveeld gezicht op. Het militair hoofdkwartier in Paramaribo is aan de lijn. De agent springt direct in de houding. Er wordt een opsporingsbevel gegeven voor Teun de Vries, een student uit Nederland. Blank, blond haar, slank postuur, circa 1,80 m lang. Aanklacht: spionage.

Ik loop een paar meter door het water. De bootsman pakt mijn rugzak aan en legt de zak voor in de boot waarna ik met druipende schoenen de boot in klim. De man voelt aan dat hij mij verder niets moet vragen. We varen rustig weg van de oever, schuin tegen de stroming in, over de grens naar Frans Guyana, op weg naar veiligheid.