maandag 4 augustus 2014
Op 't nippertje
De afstand van het huis tot aan het veer bedraagt ruim drie kilometer. Om deze afstand te overbruggen bestaan meerdere vormen van transport, te weten de taxi, de bus en eigen vervoer in de vorm van een fiets, bromfiets, auto of de benenwagen. Ik ben aangewezen op het laatste. Niet de prettigste vorm van transport, vooral niet als de zon al ver boven de horizon uitsteekt. Maar er rijden geen busjes meer dus ik heb geen keus. In Meerzorg is het noodzakelijk om vroeg op te staan als je naar Paramaribo wilt gaan. De eerste busjes rijden om vijf uur ’s ochtends. Om negen uur is er echter geen bus meer te bekennen. Als een vriend of een buitenvrouw van de buschauffeur buiten de piekuren naar de stad wil, kan je het geluk treffen dat er een busje langskomt. Wachten op dit soort toevalstreffers heeft geen zin want de kans is groter dat de bus niet komt dan dat ie wel komt. Wie pas na zeven uur uit bed stapt en uitgebreid gaat ontbijten wordt gestraft. Ik dus ook. Het mulle zand van de onverharde weg mat mijn sjokkende lichaam volledig af terwijl de zon op mijn kruin brandt. Ik besef dat de kans op een zonnesteek vrij groot is als mijn schedeldak niet door een hoofddeksel wordt bedekt. Een zakdoek om mijn hals en een hoog opgezette kraag van mijn katoenen blouse voorkomen dat de spierwitte Europese nek binnen een mum van tijd dieprood verbrandt. Ergens halverwege kom ik langs een winkeltje. De goden zij dank. Voor minder dan twee Surinaamse guldens koop ik een flesje cola dat ik ter plekke leeg moet drinken. Meenemen mag niet. Een heerlijk koud flesje cola voor omgerekend nog geen twee dubbeltjes. Eigenlijk ben ik de koning te rijk in dit land. Zolang de zwarte koers één op tien blijft en de officiële koers één op één kan ik mij voor een grijpstuiver helemaal ziek drinken. Maar daar heb ik de tijd niet voor, Paramaribo wacht op mij. Na ruim een uur lopen kom ik bij het veer en besluit ik dat dit de laatste keer is dat ik dit traject heb gelopen in de brandende zon.
Ik besluit gebruik te gaan maken van wat men hier de ‘mofokoranti’ noemt, de mondkrant. Ik vraag aan willekeurige personen of ze iemand kennen die mij een auto kan lenen. Ik ben de enige blanke in dit dorp dus als er een reactie komt weten ze me altijd te vinden.
Na een paar dagen krijg ik het bericht dat iemand mij zijn Ford wel wil uitlenen, als ik zelf voor een nieuwe accu zorg. Die accu is snel gekocht maar nu moet ik dat zware voorwerp nog thuis zien te krijgen. De veerpont heeft me al vanaf de kade in de stad naar de overkant van de Surinamerivier gebracht en de volgende etappe zal ik met een bus afleggen. Volgens enkele lokale mensen moet ik de gele of de witte bus met blauwe streep hebben en anders de kleine bus met de dikke Javaan. Waarschijnlijk zijn alle bussen even oncomfortabel. Ik zie de gele bus, of ooit eens gele bus, omdat de lak grotendeels is verdwenen. De banken zijn doorgezeten en de portieren sluiten slechts na een aan geweld grenzende handeling. De gaten in de weg zijn zo diep dat de wielen van de bus er met een klap invallen en er dubbel zo hard weer uitstuiteren. Het is dan ook erg slecht voor de nekwervels om achterin de bus te gaan zitten. Ik neem mij dan ook voor om dat niet meer te doen.
Ik heb geluk, ik word voor het huis afgezet van de persoon waar ik een auto van kan lenen. Onder een afdak zie ik een rode Ford Cortina staan, strak in de lak, met mooie bordeaux rode bekleding en een deukvrije carrosserie. Hoe bestaat het! Als ik deze auto een tijd mag lenen, dan hoor je mij niet meer klagen. Ik schud de hand van de eigenaar, John, die weer een vriend is van een lid van de coöperatie waar ik de komende maanden voor aan het werk ga. We lopen naar de Ford en de eigenaar opent de motorkap. Op het eerste gezicht oogt de motor als een bonk roest met olielekkage. John maakt een wijzende beweging naar de remcilinder maar slaat daarbij tegen de steun van de motorkap die met een klap dichtvalt. Ik kan nog net mijn hoofd naar achteren werpen en hoor gelijktijdig een ijselijk kreet. Met afschuw zie ik dat de duim van de kleine Javaanse man geklemd zit tussen het spatbord en de motorkap. Heet deze Ford toevallig Christine?
Voorzichtig open ik de motorkap waarna John zijn geteisterde duim kan bevrijden. De schade blijkt mee te vallen, maar de schrik zit wel in onze benen.
De auto start niet, zelfs niet nadat ik de gloednieuwe accu heb aangesloten. De Ford geeft geen krimp. Dat wordt dus duwen. Een buurjongen, Rodney, neemt plaats achter het stuur. De auto lijkt nu nog groter met die kleine man achter het stuur. John en ik duwen de auto het zandpad op en ik voel mijn longen en mijn hoofd bijna uit elkaar spatten. De wagen weegt minimaal een ton en de weg is mul en hobbelig. Zweetdruppels persen zich door mijn poriën, straaltjes lopen langs mijn slapen en hals en ik voel druppels naar mijn onderrug stromen. Ik ben nog niet gewend aan inspannend werk onder de tropische zon. Mijn tong hangt op mijn schoenen maar de auto slaat aan, eindelijk. Rodney rijdt een stukje en de motor blijkt het geluid te verspreiden van een dorstige Amerikaanse slee. Even later stap ik achter het stuur. In het stuurhuis blijkt nogal wat speling te zitten. Op het moment dat ik behoedzaam aan het stuur draai om een bocht te maken blijft de auto gewoon rechtuit rijden. Ik wil remmen voordat ik met de neus de sloot in duik maar trap finaal door de rem. Dan maar de handrem. Deze doet het wel, goed zelfs, en ik sta abrupt stil en de motor slaat af. Na enkele verwoede pogingen om het barrel weer aan de praat te krijgen stinkt het zo naar benzine dat ik niets anders kan concluderen dan dat ik de motor verzopen heb. Mijn jeugdige enthousiasme slaat om in bejaarde chagrijnigheid. Leuk, zo’n gratis auto. Alhoewel, gratis? Dit rode wrak heeft me al een nieuwe accu gekost.
De vader van Rodney komt aanlopen en biedt aan om de Ford naar een garage te slepen die dicht bij mijn huis is gelegen. Hij wijst naar zijn blauwe Volkswagen pick up, made in Brasil. Omdat de Volkswagen geen trekhaak heeft wordt er een sleepkabel aan de bumper vastgebonden. Rodney neemt plaats achter het stuur van de Volkswagen, zijn vader Danny gaat achter het stuur van de Ford en ik ga in de laadbak van de pick up zitten en geniet van de verkoelende wind die langs mijn verhitte voorhoofd blaast. Met een rustig gangetje rijden we over de Oost-west verbinding. Na een paar minuten rijden zie ik voor ons een koe langs de kant van de weg staan grazen. De koe rukt echter onverwacht het paaltje uit de grond waar ze aan vastgebonden was en loopt een tiental meters voor de Volkswagen de weg op. De Volkswagen remt af, dit tot grote schrik van de achter het stuur van de Ford zittende Danny die zich kennelijk nu pas realiseert wat ik bedoelde met “de remmen werken niet goed”. Hij trapt uit alle macht op de rem, ziet desondanks de achterzijde van de Volkswagen dichterbij komen en geeft een krachtige ruk aan het stuur waardoor hij over de sleepkabel rijdt die spontaan afknapt na eerst de bumper van de Volkswagen te hebben verwrongen. De geknapte kabel komt op mij af, mist mijn hoofd op ’t nippertje en ik duik in een reflex plat op de laadvloer. De Ford dendert door, rijdt vlak achter de koe langs en stuitert de weg af, een naastgelegen sloot in waar de modder hoog op spat. Ik spring direct uit de laadbak en zie de Ford in de sloot staan. Het portier gaat langzaam open en Danny stapt uit alsof hij zojuist zijn auto voor de buurtwinkel heeft geparkeerd. Ik help hem uit de sloot, waarna hij direct naar de verbaasde koe loopt en het touw pakt. Hij trekt de koe van de weg en bindt het touw aan de bumper van de Ford. “Is dit wrak toch nog ergens goed voor”.
zaterdag 28 juni 2014
Een wijze (rij)les
Mijn ouders zijn niet thuis. Moeder is boodschappen aan het doen, vader is met een vriend op pad en ik hang op de bank en zit mijn vrije woensdagmiddag te verkwisten op de bank, terwijl ik naar een aflevering van ‘Daktari’ zit te kijken. Mensen lopen voor het huis langs en af en toe volg ik een mooi vrouwelijk exemplaar met mijn ogen totdat ze weer uit het zicht vedwijnt. Plots dringt het tot mij door dat de auto van mijn ouders, een Mazda 323, 1.3 HL uit 1982, niet op zijn plek voor het huis staat. Nadat Daktari is afgelopen sta ik op en kijk ik uit het raam, eerst naar rechts, daarna naar links, om te zien waar de Mazda staat. De blauwe Mazda staat drie huizen verderop geparkeerd. De ruimte van mijn ouderlijk huis is nu vrij en het is op dat moment dat ik mij bedenk dat ik de Mazda wel even op zijn plek kan zetten. Dat ik nog geen rijbewijs heb en pas twee rijlessen heb gehad hoeft geen beletsel te zijn.
Ik trek mijn schoenen aan, haal de autosleutels van het sleutelrekje en loop naar buiten richting de Mazda. Een paar weken geleden had ik, voorafgaand aan mijn eerste rijles, al een keer samen met mijn pa een ritje gemaakt op het industrieterrein. ‘Rustig de koppeling laten opkomen en gas bijgeven’, zei hij nog. Ik verwachtte een flinke weerstand van het gaspedaal en een slappe veer in het koppelingspedaal maar de werkelijkheid was precies andersom. Ik reed met gierende banden weg. Mijn pa was niet blij.
Maar nadien had ik al twee echte rijlessen gehad in een Toyota Carina II, gloednieuw met minder dan 500 km op de teller toen ik er mijn eerste meters in reed. Een grote auto, wit van kleur. Als ik in een auto van dat formaat kan rijden, dan moet dat ook met de kleinere Mazda kunnen.
Ik open het portier, neem plaats achter het stuur en start de auto na eerst de choke iets uit te trekken. De motor slaat meteen aan. Ik plaats de pook in de eerste versnelling, laat de koppeling deze keer wel rustig opkomen en rijd vanaf de smalle parkeerstrook de straat op richting de open ruimte voor mijn ouderlijk huis. De beperkte ruimte tussen twee auto’s voor en achter noodzaakt mij om achteruit in te parkeren. Net op het moment dat ik de Mazda in de achteruit zet zie ik in mijn achteruitkijkspiegel de stadsbus de straat inrijden. De straat is net iets breder dan de stadsbus dus passeren gaat niet. Ik voel enige nervositeit opkomen waardoor ik net iets te snel achteruit ga en te laat instuur. Het lukt me niet om in één vloeiende beweging in te parkeren. Ik rij weer vooruit en besluit door te rijden, voor de bus uit en een blokje om te gaan. Ik sla rechts af en daarna de eerstvolgende straat weer rechts. De bus passeert mij achterlangs. Daar ben ik vanaf. Maar voor mij zie ik een nieuw probleem opdoemen. Een auto met aanhanger blokkeert de doorgang. Twee mannen staan de aanhanger uit te laden. Ik moet dus achteruit de straat uitrijden, de doorgaande weg op. Weer een bijzondere verrichting erbij. Het achteruit rijden lukt, met zweet op mijn voorhoofd en klamme oksels. Ik zet de auto in de eerste versnelling om verder te rijden, niet naar de volgende straat maar een straat verderop, die wat breder is. Dat is niet de enige reden. De eerste, smalle straat, komt uit tegenover het huis van mijn tante. En ik wil niet rijdend gezien worden door mijn tante, die weet dat ik geen rijbewijs heb.
De tweede straat dus. Ik wil rechts afslaan, geef richting aan en kijk over mijn schouder. Nog net kan ik een scooterrijder ontwijken die zich nog even snel tussen de stoeprand en de Mazda door wringt. Geen obstakels in de straat, de auto’s links en rechts staan netjes geparkeerd en ik kan rustig en ongestoord rechtdoor rijden. Totdat ik mijn tante zie lopen. Wat doet zij nou weer hier? Ze loopt langzaam voor mij uit. Ik kan haar niet inhalen, want dan ziet ze mij. Oh fijn, ze gaat een praatje maken met een andere grijzende dame. Ik stop en overdenk mijn volgende stap. Ik heb nog een mogelijkheid om halverwege de straat linksaf te slaan, een smal zijweggetje in. Als ik daarna twee keer rechts ga kom ik op een doorgaande weg en kan ik mijn tante omzeilen.
Mijn voornemen om de auto eventjes voor het huis te parkeren loopt behoorlijk uit de hand. Ik ben nu al minimaal 500 m van huis en moet minstens dezelfde afstand nog terug rijden door smalle straten en een drukke doorgaande weg. En juist vandaag lijkt de helft van de vrienden en kennissenkring van mijn ouders op pad te zijn. Ik negeer een oudere man met een pet, die overduidelijk de auto van mijn ouders herkent en doe alsof ik aan een knopje van de radio zit te draaien. De eerste straat rechts, tenminste, dat was de bedoeling. Een verkeersbord weerhoudt me ervan. Verboden in te rijden, behalve voor fietsers! Natuurlijk, ik kom hier nooit met de auto, alleen op de fiets. Dat bord heeft nooit eerder betrekking gehad op mij, maar nu wel, tijdens mijn debuut als automobilist. Ik word genoodzaakt om nog verder om te rijden en kom gevaarlijk dicht bij het huis van andere familie en mijn voormalige lagere school.
Aan het einde van de straat wil ik rechtsaf slaan. Eerst een drempel over en dan de doorgaande weg op draaien. Het is gelukkig niet druk, maar tot mijn schrik zie ik weer een stadsbus opdoemen in mijn achteruitkijkspiegel. Waar komt die nou weer vandaan?! Ik schakel snel op, volg de bocht in de weg en rij inmiddels weer in de gewenste richting. Zelden had ik het gevoel verder van huis te zijn als op dit moment. Om het huis van mijn tante te ontwijken zal ik nog een extra blokje om moeten rijden. Ik kom langs een supermarkt, waar mensen hun winkelwagentjes uitladen en fietstassen staan vol te stoppen. Ja natuurlijk, weer zie ik een paar bekende gezichten, maar ik probeer zo strak mogelijk voor me uit te kijken. Niets aan de hand, ik ben meester over deze auto, heb alles onder controle. Net achttien, twee rijlessen achter de rug, ik mag mijzelf al best wel ervaren noemen. Zeventig op de teller? Da’s te hard, gas terug, ik mag hier maar vijftig. Afremmen, niet te hard, richting aangeven, uitkijken voor de fietsers op het parallel gelegen fietspad en afslaan. Mooi genomen bochtje, al zeg ik het zelf. Misschien een beetje te ruim, maar ik miste die hond in de berm ruimschoots.
Nog een keer rechts, stukje rechtdoor met twee drempels en ik heb alweer zicht op de entree van mijn straat. Het plekje voor het huis is nog vrij. Ik zie dat de auto die voor het huis van de buren geparkeerd stond ook is vertrokken dus ik kan nu gemakkelijk vooruit inparkeren. Even schamp ik met de zijkant van het rechter voorwiel langs de stoeprand, maar het contact was minimaal. No damage, niets aan de hand. De auto staat stil, eindelijk. Even sluit ik mijn ogen, slaak een diepe zucht en zet de motor af. Het voelt alsof ik honderd meter onder de top van de Mount Everest gestrand ben. Dat is ook een knappe prestatie, maar de euforie ontbreekt omdat de top niet gehaald is.
Ik stap snel uit, ga het huis in, hang de autosleutels weer aan het haakje en neem mij voor niet weer zo’n stunt uit te halen. Ik had mijn lesje wel geleerd.
Een kwartier later komt mijn moeder thuis. “Is jouw vader al thuis?”
“Nee”.
“Wie heeft dan de auto op zijn plek gezet?”
“Euh, ik. Er stonden verder geen auto’s meer op de parkeerstrook dus ik dacht , ik duw ‘m even naar voren”.
“Okay”. Ze kijkt me even aan, trekt één wenkbrauw omhoog en zegt “Ik kwam jouw tante zojuist tegen. Ze vond dat je al goed kan autorijden…….
Abonneren op:
Posts (Atom)

