woensdag 25 juni 2025

Teken de petitie tegen teken

19 juli 2016

Gistermiddag reed ik van kantoor terug naar huis. Het eerste deel van de route gaat over een N-weg richting de A15. Dat rit van kantoor naar de oprit van de snelweg neemt circa 7 minuten in beslag. Eenmaal op de snelweg voelde ik na een kleine twee minuten een felle steek in mijn knieholte. Het voelde als de beet van een mug, maar dan heftiger. Wat doe je dan, als je 120 rijdt op een drukke snelweg? Juist, niets. Je kan niets doen, je moet doorrijden om te voorkomen dat je brokken maakt. Ik voelde door de stof van mijn spijkerbroek heen en meende een kleine oneffenheid waar te nemen. En toen wist ik meteen wat er aan de hand was: een teek. Maar wat doe je als je een teek hebt als je onderweg bent en je hebt een lange spijkerbroek aan? Juist, niets. Je gaat niet naar een parkeerplaats om daar de broek te laten zakken en gebukt daar de teek te zoeken. Dus moet je doorrijden, naar huis, waar een tekenpincet klaar ligt voor het verwijderen van het bloeddorstige gespuis. De rit van kantoor naar huis duurt als alles meezit circa 50 minuten. Ook gisteren zat het mee, maar desondanks leek de rit twee keer zo lang te duren. Ik werd bijna gek van de jeuk in mijn knieholte maar wilde niet krabben omdat ik bang was de teek te beschadigen waardoor het verwijderen bemoeilijkt zou worden. Ik probeerde mij te concentreren op de radio om mijn gedachten af te leiden van de jeuk. Dat lukte deels. Eindelijk, na 50 veel te lange minuten, arriveerde ik bij mijn huis. Snel parkeerde ik de auto, opende de tuindeur en vervolgens de achterdeur van mijn huis en rende naar mijn slaapkamer waar ik mijn broek van mijn kont trok en via de spiegel naar mij knieholte keek. Daar zit ie, het kleine kreng. Heel klein, een speldenknop, maar dan plat. Hij had zich dus recent genesteld en nog geen bloed gezogen. Ik pakte de tekentang van het planchet in de badkamer, plaatse het grijpertje over de teek tot dicht tegen mijn huid, liet grijper langzaam sluiten en trok de teek los van mijn huid.

Hoe kwam ik aan deze teek? Welnu, afgelopen zaterdag heb ik met een gids van het IVN een wandeling gemaakt door de bossen bij Dieren. Tijdens de wandeling heb ik diverse onwetende mensen gewezen op de gevaren van een tekenbeet. Bij thuiskomst heb ik mijzelf gecontroleerd en op mijn benen trof ik twee teken aan die daar aan het rondwandelen waren. Het was een grote soort die ik gemakkelijk met mijn vingers kon grijpen en door de afvoer van de wasbak heb weggespoeld. Daarna ben ik onder de douche gesprongen en heb ik lijf en ledematen geschrobd. De fout die ik daarna heb gemaakt is dat ik mijn wandelkleding op mijn slaapkamerstoel heb gelegd. Die kleren heb ik zondag niet aangehad want ik heb in een korte broek rondgelopen maar maandag had ik mijn lange broek van zaterdagavond weer aangetrokken. En daar heeft die teek waarschijnlijk nog ingezeten. Mijn geluk was dat de teek pas aan het eind van de werkdag besloot zich vast te bijten in mijn knieholte.

Mijn tip van de dag is daarom: als je in het bos bent geweest, smijt na controle van lijf en leden de kleren in de wasmand na ze buiten te hebben uitgeklopt. En trek ze niet opnieuw aan voordat ze gewassen zijn. De tekenplag breidt zich steeds verder uit en Nederland laat het gedwee over zich heenkomen, net als het gevaar vanuit het Midden-Oosten. De grenzen staan wagenwijd open waardoor de pest van de moderne tijd zich vrijwel ongemerkt onder de mensen kan verspreiden.


Het komt in Nederland nog steeds voor dat mensen in een rolstoel belanden vanwege de ziekte van Lyme en dat geen arts opmerkt dat er sprake is van Lyme. Ik vind dat onbegrijpelijk, vooral omdat ikzelf al in 1998!! Lyme heb gehad en daar ook voor behandeld bent. Toen moest ik daar al bijna een vuistgevecht met de huisarts voor leveren voordat hij wilde toestaan dat ik mijn bloed liet onderzoeken op Lyme. We zijn nu 18 jaar verder en het enige dat men bedacht heeft tegen deze slopende ziekte is een antibioticakuur waar geen eenduidige voorschriften voor bestaan. Elke huisarts heeft zijn eigen behandelwijze. Het is werkelijk van de gekke. Een vriendin van mij vertelde dat ze na een tekenbeet een antiboticakuur had gekregen zonder dat onderzoek was gedaan naar Lyme. Nieuw protocol, volgens haar huisarts. Als je gebeten bent krijg je een kuur. Maar wat als je in een jaar tien keer wordt gebeten? Tien kuurtjes? Waarvan negen misschien onnodige en bij de tiende werkt het niet meer als de tiende wel tot besmetting heeft geleid.


Teken zijn de malariamuggen van de westerse wereld. Gaan we niet kapot aan Aids, dan toch zeker wel aan Lyme. Want onze overheid onderneemt geen actie, anders dan aanplakbiljetten op hangen en onze gezondheidzorg is incapabel, niet daadkrachtig en niet consequent.

De Eerste

Voor elke zichzelf respecterende autoliefhebber komt het moment dat er een rijbewijs gehaald moet worden. En na het behalen van het rijbewijs komt het moment dat er geheel zonder toezicht alleen in een auto gereden gaat worden. Meestal is dat de auto van de ouders of van een vriend. Soms een auto van een werkgever of een huurauto. En later komt het moment dat er afstanden gereden gaan worden in een auto die op eigen naam staat. Bij mij gebeurde dat in 1995. Ik was inmiddels 27, eindelijk afgestudeerd en werkzoekend geworden. Want in die tijd lagen de banen niet voor het oprapen en op een leaseauto hoefde ik al helemaal geen aanspraak te maken, want die werden niet vergeven. Maar ik wist wel dat ik mijn kansen kon vergroten als ik een eigen auto zou hebben en dus werd er een zoektocht uitgezet naar de meest geschikte auto voor aan armlastige werkloze. Mijn voorkeur ging uit naar een 2CV. Het leek mij een leuke auto, gemakkelijk en goedkoop te onderhouden en een beetje afwijkend van wat men van mij zou verwachten. En dus belde ik naar de Duckdump. Ik had hun naam en telefoonnummer op een bumpersticker zien staan die geplakt was op de achterzijde van een 2CV die bij mij in de buurt stond. Na twee keer gebeld te hebben zonder dat ik gehoor kreeg gaf ik het al op. Blijkbaar stond er voor mij geen 2CV in de sterren geschreven. Als iets voorbestemd is dan komt het op mijn pad. Als ik er achteraan moet gaan zitten dan is het niet meer voorbestemd. Tot zover mijn zoektocht naar een Eend. 

Ik begon advertenties in het lokale krantje door te nemen en na enig zoeken vond ik een advertentie van een Ford Escort 1.3 uit 1984. Ze stond voor 2750 gulden te koop in Ede. Zelf woonde ik in die tijd in Wageningen en dus op fietsafstand van Ede. Na gebeld en een afspraak gemaakt te hebben pakte ik de fiets om eerst naar de bank te fietsen om geld op te nemen en daarna verder te fietsen naar Ede. Omdat ik dingen vaak vanuit enige spontaniteit doe en niet altijd bezig ben met een goede voorbereiding had ik geen acht geslagen op het weerbericht van die avond. Het begon voor mij totaal onverwacht te regenen terwijl ik onderweg was en dus kwam ik doorweekt aan bij de autoverkoper in Ede. Het mocht de pret niet drukken. Daar stond de grijze Ford te blinken in de regen. Hij leek wel nieuw. De verkoper stelde voor om een proefrit te maken, maar anders dan ik verwacht had stapte hij zelf achter het stuur en mocht ik plaatsnemen op de passagiersstoel. Ik werd dus een observant in plaats van bestuurder. Dat gaf me wel de gelegenheid om alles om mij heen goed in mij op te nemen en elk geluidje dat ik hoorde te analyseren op de betekenis die het zou kunnen hebben: alarmerend, zorgwekkend, rustgevend of onbeduidend. Na een kwartiertje zat de proefrit erop. De verkoper keek vol verwachting naar mijn reactie. In die tijd waren mijn gelaatsuitdrukkingen nog heel spontaan. Van een pokerface had ik nog nooit gehoord en mijn glimlach verried mijn enthousiasme net iets teveel. 

De vraagprijs was 2750 gulden en omdat mijn onderhandelingstechnieken nog in de kinderschoenen stonden werd de koop gesloten voor precies dat bedrag. Ik troostte mij met de gedachte dat hij niets bij de vraagprijs had opgeteld en dat dit kwam door mijn standvastige houding. De koop werd bezegeld met een handdruk, waarna de verkoper een kwitantie begon uit te schrijven.

"Vind je het goed als ik 2250 gulden op de bon zet?', vroeg de verkoper

Ik werd even van mij stuk gebracht. Kreeg ik nu ongevraagd 500 gulden korting? Enigszins stamelend zei ik: "Dat is goed hoor". 

De verkoper schreef 2250 gulden op de bon en vroeg mij vervolgens om 2750 gulden, het bedrag dat ik toevallig al had meegenomen in de vorm van een stapel bankbiljetten. Ik snapte het even niet. Hij zet 2250 gulden op de bon en ik moet 2750 gulden betalen? Mijn brein zat teveel in de hoek van gerechtigheid en eerlijkheid en het muntje viel erg traag. Maar toen, minstens tien seconden te laat, begreep ik dat hij de belastingdienst wilde flessen door op papier 2250 gulden in de boeken te zetten en 500 gulden in zijn achterzak te stoppen. Een half uur later stond de auto op mijn naam.

Ik laadde mijn fiets achter in de auto, erg handig met zo'n grote derde deur, en reed terug naar Wageningen. Het zat me niet lekker, dat verschil tussen het bedrag op de bon en het bedrag wat ik betaald had. Het knaagde aan mij. Was de Ford dan eigenlijk maar 2250 gulden waard? Had ik misschien 500 gulden teveel betaald als 2250 gulden een geloofwaardig bedrag is voor de boekhouder en voor de belastingdienst?  

's Avonds lag ik onrustig in bed. De klok tikte richting middernacht en vlak voordat de nieuwe dag begon, rond twee minuten voor twaalf, kreeg ik een ingeving die ik uren eerder had moeten hebben. Mijn zogeheten come back, mijn oneliner waarmee ik alle monden zou hebben gesnoerd en de situatie naar eigen hand had kunnen zetten. Ik ging rechtop in bed zitten en zei met een beheerste doch dwingende stem: "Jij mag best 2250 gulden op de bon zetten maar dan is dat ook het bedrag dat ik jou ga betalen voor de auto". Daarna ging ik weer liggen en trok tevreden de deken over mij heen.   

Het veranderde niets aan de transactie van eerder die dag, maar het gaf me innerlijke rust dat ik de woorden alsnog had uitgesproken en ze het universum had ingestuurd, waar ze misschien ooit hun doel zouden bereiken. Ik voelde me ad rem, met 6 uur vertraging.    

 


Het kenteken van mijn Ford was KR-52-RV. Hierboven een foto van een soortgelijk Ford. Wil je meer foto's zien van deze Escort? Ga dan naar https://ford-escortclub.nl/forum/viewtopic.php?t=12936 



zondag 30 december 2018

Heibel met de gemeente

Het verbaasd mij dat ik in 2008 niet uit de gemeente Rheden ben getrapt. Hier mijn brief aan de gemeente betreffende gezeur over mijn erfafscheiding.
Geachte heer, mevrouw
Heden ontvingen wij per post uw brief van 17 december met kenmerk BMBWT6820. In de brief maakt u uw voornemen kenbaar om over te gaan tot handhavende maatregelen omdat wij hebben nagelaten een erfafscheiding te laten legaliseren nadat deze, op grond van een negatief advies van de welstandcommissie, was aangepast aan de door de gemeente gestelde eisen.
Ik wil u er op wijzen dat hier geen onwil of opzet in het spel is aangezien we daags na het negatieve advies overleg hebben gevoerd met de heer ........ van uw afdeling over de meest wenselijk aanpassing van de schutting. Nadat hier overeenstemming over was verkregen hebben wij, naar nu blijkt abusievelijk, aangenomen dat de zaak hiermee rond was en wij aan onze verplichtingen hadden voldaan.
Blijkbaar moeten we nu een nieuwe aanvraag indienen zodat we weer van voren af aan beginnen en ik ten tweede male mijn jaarbudget afgeroomd zie worden met een kleine honderd euro aan leges voor een schutting die nauwelijks € 400,-- heeft gekost. Natuurlijk, eigen schuld, maar een dergelijke aanvraag en bijbehorende afhandeling van zo’n onbenullig bouwwerk had mijns inziens ook in één gang afgehandeld kunnen worden.
Afijn, dan maar geen kerstdiner buiten de deur dit jaar. Een blik knakworsten zal moeten volstaan. Mijn dochtertje moet komend jaar maar op blote voetjes over straat, want het geld voor haar schoentjes zit in de gemeentelijke leges. En dat allemaal vanwege een erfafscheiding.
Bij deze brief treft u de nieuwe vergunningaanvraag aan. Het is dezelfde aanvraag als voorheen met één verschil: de tekening van het aanzicht van de schutting. Ik hoop dat dit volstaat zodat ik € 3.000,-- kan steken in het onderhoud van mijn huis in plaats van het betalen van de aangekondigde dwangsom.
Ik hoop dat u de aanvraag op korte termijn in behandeling kunt nemen en er positief op zal beschikken. U hebt wat mij betreft voldoende gehandhaafd ten aanzien van mijn schutting. Nu is het tijd om het hondenpoep probleem in mijn wijk aan te pakken, want we worden er een beetje moe van om na een wandeling met de wandelwagen de poep van de wielen te moeten schrapen alvorens ons huis binnen te kunnen rijden.
Hoogachtend

zondag 2 december 2018

Computer plus Wilco = oorlog


Terug in de tijd. December 2000

Ik schrijf deze brief terwijl de klanken van een CD van Mariah Carey mijn oren strelen. De CD draait rond in mijn CD Romspeler. Mijn nieuwe computer staat nu in mijn logeerkamer te pronken. Tien dagen geleden heb ik hem al meegenomen van het werk, waar de gloednieuwe computer werd afgeleverd. Natuurlijk heb ik achteraf weer spijt als haren op mijn hoofd dat ik de computer via mijn werk heb besteld en niet bij een zaak in de buurt. Als ik nu wat krijg met de computer dan ben ik aangewezen op zo’n ondoorzichtige helpdesk i.p.v. dat ik even bij de winkel langs kan gaan. Mijn computer is er een van het type: “kan veel meer dan ik ooit nodig zal hebben” dus ik heb mij bij voorbaat geen beperkingen opgelegd. Alhoewel? Ik was er ten stelligste van overtuigd dat ik een modem had besteld maar dat bleek niet meer dan een valse overtuiging. Vreemd hoe een mens kan denken. Al maandenlang had ik de wens om een computer te hebben met een internet aansluiting. Een modem is daar onmisbaar voor. En dus zou je verwachten dat ik “modem” zou aankruisen op de bestellijst. Maar nee, ik kruis van alles en nog wat aan behalve de modem. Maar ik heb wel tegen iedereen lopen verkondigen dat ik een modem heb besteld! Zie hier de zoveelste kronkel in mijn hersenen. De gedachten van de mens zijn ondoorgrondelijk. Geen modem dus. Dus besloot ik er zelf maar een te kopen. Met mijn meest deskundige gezicht loop ik in Dieren een computerzaak binnen en zeg dat ik een modem wil hebben. Vraagt de verkoper: “Wat voor type computer heb je?” Binnen tien seconden na binnenkomst sta ik met mijn bek vol tanden. Een nieuw record. Ik probeer mij er uit te redden door te antwoorden met “Ik heb geen flauw idee, op dat soort dingen let ik niet” en hoop dat dit antwoord voldoende aanwijzingen bevat om mij aan een geschikte modem te kunnen helpen. “Hoe oud is de computer”, vraagt de verkoper. Dat is een tricky vraag want elk antwoord zal een foute zijn. De computer is namelijk nieuw maar niet bij hem gekocht. Zijn klantvriendelijkheid zal in één klap gedecimeerd worden als hij hoort dat ik mijn computer niet bij hém heb gekocht, vooral omdat ik hem wel lastig val met allerlei vragen over deze computer. Ik geef een gouden antwoord op zijn tricky vraag: “Nog niet zo oud”. Zo, daar kan hij het mee doen. Op basis van dit antwoord verwacht ik een gedegen en sluitend advies over het type modem dat geschikt is voor mijn nog niet zo oude computer van een onbekend type. Maar nee, meneer wil nog meer weten. 
“Bedoel je een jaar of vijf of jonger?” Ik weet dat de ontwikkelingen op computer gebied snel gaan maar ik vermoed dat een computer die in september is gekocht nog niet veel zal afwijken van de computer die ik een week geleden uit de doos heb getrokken dus ik lieg overtuigend door te beweren dat mijn computer “een maand of twee” oud is. “Waarom heb je er dan niet meteen een modem in laten bouwen?”, vraagt de man. Ik begin een Godsgruwelijke hekel te krijgen aan deze bijdehante betweter. Ik mompel iets onverstaanbaars wat zowel een vloek als een antwoord zou kunnen zijn en kijk de man met opgetrokken wenkbrauwen aan, waaruit de man afleidt dat ik sta te wachten op een serieus advies. En die krijg ik. Een Motorola communication modem 56 Kbps V.90 wordt op de toonbank getoverd. Ik zie op de voorkant van de doos een afbeelding van iets dat lijkt dat op een luchtfoto van de stad New York maar het blijkt een printplaat te zijn met de eigenschappen van een modem. Ik schrik mij kapot, want ik dacht dat een modem een kastje was dat ik met een stekkertje in mijn computer kon pluggen. Ik heb aan mijn computer geen openingen gezien waar ik een printplaat in kan pluggen. Met de angst om een gigantische flater te slaan vraag ik quasi nonchalant: “En hoe installeer ik zoiets”. Ik hoopte op een volledige en niets aan het toeval overlatende demonstratie maar die is blijkbaar alleen voor klanten weggelegd die hun computer bij hem hebben gekocht. “Je maakt de computerkast open en dan zie je een paar PCI-gleuven. Daar kan je de modem inschuiven. Nadat je de computer hebt opgestart zal de computer de modem zelf installeren, d.w.z. de computer werkt een installatieprocedure af. Lees de gebruiksaanwijzing maar”. 
De laatste zevenendertig woorden drongen helemaal niet meer tot mij door. Mijn gedachten bleven hangen bij “je maakt de computerkast open”. Hoe maak ik in vredesnaam een computerkast open. Moet ik het front er af slopen, of de achterkant? Kan ik de bodem er uit schroeven? Ik besluit nog één vraag te stellen waarmee ik mijzelf definitief het stempel van Neanderthaler bezorg. “Hoe maak ik zo’n kast open?” “Aan de achterkant”, luidt het uitgebreide en zeer instructieve antwoord van de vermoeide verkoper.  

Met al deze informatie moet het lukken. De gehele vrijdagavond heb ik tot mijn beschikking dus morgen kan ik het internet op, wat mij betreft. Thuisgekomen ren ik naar boven. Ik trek alle stekkers uit mijn computer, grijp de kast, draai de achterkant naar mij toe en bekijk de achterkant. Ik zie allerlei stekkeringangen, schroefjes en een paar dingen die lijken op schuifjes. Ik druk tegen de schuifjes maar er gebeurt niets. Ik kijk nog eens naar de schroefjes maar concludeer dat het losdraaien van de schroefjes onmogelijk kan leiden tot het verwijderen van de achterzijde. Ik snap er weer geen hol van. Hoe krijg ik die Godvergeten kast open? Ik ren naar zolder, haal daar mijn oude computer uit het stof, loop er mee naar de huiskamer en ga het oude ding uitvoerig bestuderen. Hier kan ik weinig aan verkloten dus ik begin met een schroevendraaier tegen de schuifjes aan te drukken. Natuurlijk gebeurt er weer niets. Dan de schroeven maar opendraaien. Weer komt er niets los wat mij inzage geeft in het inwendige van de computer. Ik besluit om met de schroevendraaier de voorkant los te wrikken. Dan kan ik in ieder geval via de voorkant tegen de binnenzijde van de achterkant aankijken. Dat levert ongetwijfeld veel nuttige informatie op over de constructie van de kast. Ik wip een plastic afdekplaat uit een ongebruikte diskdrivehouder en staar in het inwendige. Niets te zien wat van belang is. Shit! Dan besluit ik tot drastische maatregelen. Ik ga de zijkant loswrikken. Ik plaats de schroevendraaier in de naad tussen de bovenplaat en de zijplaat en begin te wrikken. Behalve dat de zijplaat onuitwisbare beschadigingen begint te vertonen gebeurt er niets. Moedeloos geworden plof ik op de bank neer. Het bewijs is nu definitief geleverd. Ik weet niets van computers, ik sta er niet open voor, ik haat die dingen, ik wil er niets van weten. Die krengen moeten het gewoon doen en verder verwacht ik er helemaal niets van. Ze drijven mij dagelijks tot wanhoop. Installatieprocedures zijn niet aan mij besteed. Ik heb er geen geduld voor. Zogenaamd is het gebruikersvriendelijk maar om een handleiding te kunnen lezen moet je eerst een CD-rom in de drive plaatsen om vanaf het beeldscherm te lezen wat je allemaal moet doen. Datzelfde beeldscherm heb ik echter nodig om allerlei handelingen te verrichten die aan de hand van allerlei vragen en opdrachten in een eindeloze stroom van pop up menu’s van mij verlangd worden. Ik voel me wanhopig en besluit de rest van de avond naar de teevee te staren.

De volgende morgen loop ik naar de computerwinkel. Ik verlang helderheid. Ik ga niet eerder die winkel uit of ik moet tot in detail uitgelegd hebben gekregen hoe ik die godvergeten klote kast open kan krijgen. Nog net op tijd weet ik te voorkomen dat mijn stem gaat overslaan wanneer ik openlijk verklaar geen flauw idee te hebben hoe ik een computerkast open moet krijgen. Het blijkt kinderlijk eenvoudig. Hoe kan het ook anders. Ik dien twee schroeven aan de achterzijde los te draaien en de zijplaat naar mij toe te schuiven. Aha, dus niet wrikken maar schuiven! Waarom kreeg ik die informatie gisteren dan niet? Opgelucht keer ik huiswaarts. Wilco zal deze klus eens snel gaan klaren, na de verloren vrijdagavond.

De kast ligt binnen een paar tellen open in mijn “stofvrije” studeerkamer. Ik schuif de modem, die ik voor het gemak beetpak met vette vingers, in de PCI-sleuf (de vaktermen rollen nu mijn toetsenbord uit alsof ik over nooit iets anders gesproken heb) maar dat gaat minder soepel dan ik had verwacht. De printplaat is lichtelijk krom (natuurlijk!) waardoor het kwetsbare geval met kracht in de rechte sleuf geduwd moet worden. Even overweeg ik de schroevendraaier erbij te betrekken maar dat domme voornemen laat ik snel lopen. De modem glijdt uiteindelijk met een paar scheefgedrukte weerstandjes in de gleuf, de kast kan dicht en de installatieprocedure kan beginnen. “Plaats de meegeleverd diskette met het stuurprogramma in het diskettestation”, vermeldt de summiere gebruiksaanwijzing. “Volg de instructies om de installatie te voltooien”. Dat kost mij dus drie pogingen. Er gaat helemaal niets vanzelf en ik zou niet weten welke instructies ik moet opvolgen. Uiteindelijk snap ik dat ik in een pop up menu moet aanklikken welk type hardware er geïnstalleerd moet worden. “Modem”, klik ik aan. Het lukt! Ik krijg een lijst met honderdduizend verschillende types modems. Op zoek naar de Motorola 56 Kbps V.90. Na enig gespannen zoeken vind ik de Motorola’s. Allerlei types maar geen V.90. Wel Godsgloeiende………… Van alle typen modems wordt mij een type verkocht dat volgens Windows niet eens bestaat!!! Ik kies een type dat het meest lijkt op mijn type en klik deze aan. Een pop up menuutje meldt mij dat de configuratie van het door mij gekozen alternatief niet overeenstemt met mijn V.90 en dat dit ten koste kan gaan van de functionaliteit van mijn modem. Als die rotcomputer mij dat allemaal zo precies weet uit te leggen, waarom biedt hij mij dan geen acceptabel alternatief?  Ik besluit dat het mij geen zak kan schelen en voltooi de installatie. Ik moet toch eerst nog vijftien meter telefoonkabel leggen alvorens ik kan inbellen dus voordat ik daarmee klaar ben heb ik nog voldoende tijd om die computerverkoper over de toonbank te trekken en hem zijn huid helemaal vol te schelden. Ik HAAT computers!

zaterdag 27 oktober 2018

Vertrouw op jezelf


Ik hurkte, plaatste mijn handen voor me op de grond, boog mijn hoofd naar beneden, liftte mijn voeten langzaam de lucht in, strekte mijn benen, daarna mijn armen en kwam in een gestrekte handstand te staan. Mijn hart vulde zich met een gelukzalig gevoel. Ik kon het afgelopen jaar nu afsluiten.

Het was een zwaar jaar, het jaar voor de millenniumwisseling. Een jaar met fysieke tegenslag in combinatie met een verhuizing. Voor de verhuizing had ik bewust gekozen, je weet waar je aan begint en je kan je er geestelijk, financieel en logistiek op voorbereiden. Maar fysiek zat het tegen. Het fysieke ongemak was mij overkomen. Een ongewenst geschenk van een Ixodes ricinus, ofwel een teek, een geleedpotig wezen behorend tot de klasse van spinachtigen. De Ixodes ricinus is berucht om de bacterie Borrelia burgdorferi die de ziekte borreliose veroorzaakt, beter bekend als de ziekte van Lyme. Mijn klachten werden in eerste, tweede en derde instantie door de huisarts afgedaan met overbelasting, artritis en reuma. Maar als jonge vent van net 30 wilde ik geen genoegen nemen met deze gemakzuchtige diagnoses. Mondige patiënten waren 15 jaar geleden nog een zeldzaamheid en de kennis van een arts was boven elke twijfel verheven. Maar ik was van mening dat niemand mijn lichaam beter van binnen en van buiten kende dan ikzelf. Een fysiek ongemak kon in ieder geval niet geweten worden aan een losbandige levensstijl. Ik was afgetraind tot in elke vezel, geen roker en geen drinker.

Een paar weken na een stuntelige poging van een EHBO’er om een teek uit mijn oksel te verwijderen begon ik pijn in mijn gewrichten te krijgen. Bewegen werd al snel een bezoeking. Een korte wandeling zorgde voor gloeiende enkels. Een polsbeweging veroorzaakte knakkende geluiden in het polsgewricht. En ik was moe, ongezond moe. Voor mij was het al snel duidelijk. De teek en mijn klachten moesten aan elkaar gerelateerd zijn. Maar het verband werd door de huisarts ontkend. Zijn alwetende ogen keken mij aan toen hij vroeg: “Heb je een rode kring rond de beet gehad?” Nee, antwoordde ik in alle eerlijkheid. “Dan is het geen Lyme”, zo wist de arts. Want hij had ervoor gestudeerd.

Ik zou de komende weken nog twee keer terugkeren in zijn spreekkamer. Na de tweede keer mocht ik met een formulier voor een bloedonderzoek naar het ziekenhuis op de Wageningse berg. Niet voor Lyme, maar voor reuma. Reuma! Stel je voor dat het toch reuma is? Wat doe je als dertigjarige als die diagnose gesteld wordt? Ik werd erg nerveus van het toekomstbeeld dat ik had bij een diagnose als reuma. In mijn verbeelding zag ik rolstoelen, stoelliften en vergroeide vingers en tenen. Maar de resultaten van het bloedonderzoek waren negatief. Dat was een opluchting, maar ik bleef in het ongewisse. Ik moest en zou een onderzoek naar Lyme krijgen al moest ik ervoor op de vuist met de huisarts. Die begon tijdens het derde bezoek een verhaal af te steken over onzekerheden met betrekking tot de onderzoeksresultaten. Als het bloedonderzoek zou uitwijzen dat ik geen Lyme had betekende het nog niet dat ik daadwerkelijk geen Lyme had. Een onderzoek naar Lyme was volgens hem dus weinig zinvol, vooral omdat ik volgens hem geen Lyme kon hebben, want ik had geen rode kring rond de beet gehad. Met tegenzin gaf hij mij na uitdrukkelijk aandringen van mijn kant uiteindelijk toch een doorverwijzing voor een bloedonderzoek naar Lyme. Zo’n onderzoek nam in die tijd enkele weken in beslag, voor mij spannende weken want mijn klachten werden steeds ernstiger. De uitslag was, hoe gek het ook klinkt, een enorme opluchting: ik had de ziekte van Lyme onder de leden. Mijn gelijk was bewezen! De diagnose deed het nodige stof opwaaien. Mijn huisarts bekende zijn ongelijk. Circa 10 tot 15% van de besmette tekenbeten blijven verschoond van een rode kring, zo bleek uit zijn recente vakliteratuur. Daarvan was hij niet eerder op de hoogte geweest, net als vele anderen die mij niet serieus hadden genomen.

Omdat ik de ziekte al bijna vier maanden onder de leden had volgde een zware antibioticakuur om de bacterie te bestrijden. Een kuur van drie weken. De bacterie legde het loodje, maar de klachten bleven lange tijd aanhouden, ook tijdens de verhuizing. Maar optimisme is mijn levensmotto. En dus boekte ik voor later dat jaar een reis naar Peru en Bolivia. Natuurlijk trok het avontuur, de historie en de cultuur van deze landen mij, maar een belangrijke drijfveer was dat de reis als fysiek zwaar werd bestempeld. Ofwel, een mooie test om na te gaan of ik de wereld weer aan kon.

We reisden met kleine busjes, taxi’s en vrachtwagentjes door Peru. Veel wegen waren van slechte kwaliteit, maar daardoor ook relatief veilig. Op de goede wegen werd namelijk vreselijk hard en onverantwoord gereden. De vele kruisen langs de weg gaven aan dat dit rijgedrag een zware tol eiste onder de bevolking. Elke dag stonden de voorpagina’s van lokale kranten vol met bloederige foto’s van beknelde lichamen in verkreukeld blik. De gezichten werden ongecensureerd in beeld gebracht, ik had de dood nog nooit zo onbeschaamd in de ogen gekeken.
En toch stapte ik elke dag vol goede moed in een busje, op weg naar een volgende bestemming. En gaandeweg de reis kwamen de bestemmingen steeds hoger boven zeeniveau te liggen. Duizend meter, vijftienhonderd meter, tweeduizend meter. Ik bedacht mij dat ik mijn fysieke gestel wilde testen door bij elke mijlpaal een handstand vanuit hurkzit te doen, omdat ik dat de maanden daarvoor niet kon. En telkens als we weer een paar honderd meter waren gestegen en een pauze hielden, stapte ik uit de bus en deed de handstand, gadegeslagen door de andere buspassagiers die mij voor gek verklaarden, vooral omdat ze niet wisten wat ik er mee wilde bewijzen. Vanaf drieduizend meter begonnen reisgenoten verschijnselen te vertonen van hoogteziekte. Desoriëntatie, duizeligheid, hoofdpijn, misselijkheid. Maar ik deed mijn handstand. Ook tijdens het lopen van de Incatrail. Vijfendertighonderd meter, vier kilometer. De uitzichten werden ook steeds weidser. Om bij één van de indrukwekkendste uitzichten te komen die Peru te bieden heeft moesten we vanuit Arequipa twee dagen reizen naar de Colca Canyon, één van de diepste kloven ter wereld.

Er werd een 20 persoons bus gecharterd waarmee we de lange tocht over slechte wegen moesten ondernemen. Onze chauffeur, een oudere man, reed als een bezetene. De bus klapte door kuilen en vloog over bulten en stenen. Het was een wonder dat de bus niet bezweek onder dit geweld, maar ik genoot er van. Op de eerste dag van dit tweedaagse avontuur reden we over een pas van 4850 meter en je raad het al, ook hier werd gestopt en een handstand gedaan. Na de stop daalden we af, laverend over de stoffige weg, met losse stenen, kuilen en hobbels. Op enig moment, we reden net door een kleine nederzetting, klonk er een harde klap onder de bus, direct gevolgd door een nog hardere klap waarbij de achterzijde van de bus minstens een halve meter de lucht in schoot. De man op de achterste bank sloeg met zijn hoofd tegen het plafond en viel beduusd terug in zijn stoel. De bus kwam schurend tot stilstand. “We hebben iets geraakt”, klonk het. Ik snapte er niets van. Ik had de hele tijd om mij heen zitten kijken en niets voor ons op de weg gezien dat we geraakt zouden kunnen hebben. Ik schoof een raampje open om naar achteren te kunnen kijken. Op de weg lag, te midden van neerdwarrelend stof, een groot vat waar vloeistof uit stroomde. “We hebben een vat geraakt”, riep ik. De chauffeur en passagiers verlieten de bus en liepen naar het gedeukte vat op de weg. “Verdomd, het is de brandstoftank van onze bus”. En inderdaad, de bevestigingsbeugels van de brandstoftank hadden het begeven waarna de tank onder de bus was weggevallen, pal voor de achterwielen. De reis leek ten einde, maar de chauffeur liet zich niet uit het veld slaan. Met tegenslag moet je afrekenen door creatief en vastberaden te zijn. Een tank werd op het dak van de bus vastgesnoerd, er werd door middel van een tuinslang een verbinding gelegd tussen tank en brandstofleiding en een half uur later reden we weer richting Colca Canyon. De volgende dag deed ik mijn handstand aan de rand van de Canyon met condors die boven mijn hoofd cirkelden.

We reisden door naar La Paz in Bolivia. Daar hoorde ik van de mogelijkheid om via een adembenemende route naar de Chacaltaya, een 5300 m hoge top ten noorden van La Paz, te rijden. Dat wilde ik meemaken en ik reserveerde een plekje in een 15 persoons busje. De rit voerde over een smalle weg met aan de linkerzijde de bergwand en aan de rechterzijde een afgrond. De afstand tussen de banden en de rand van de weg was af en toe niet meer dan tien centimeter. Maar er stonden hier geen kruisen langs de weg dus kennelijk verongelukken er nooit mensen op deze weg, hetgeen mij geruststelde.

De bus bereikte het eindpunt. Nu was het aan mij om nog een paar honderd meter hoger te klimmen naar het hoogste punt. Mijn reisgenoot bleef helaas achter bij de bus, geveld door hoogteziekte, maar op een afstand zag ze mij mijn handstand doen, op 5300 m boven zeeniveau. Ik kon de wereld weer aan, de pijn was verdwenen, het stof was neergedaald, ik had weer een helder zicht op de toekomst.

woensdag 26 september 2018

Liefde

Ik weet het, ik ben inmiddels vijftig jaar oud. Een halve eeuw ligt achter mij en misschien is dat wel meer dan er voor mij ligt. Om de tijd die voor mij ligt zinvol en waardevol te maken moet ik lering trekken uit alle wijze lessen die ik in de afgelopen vijf decennia heb geleerd. Wat mij het meest is bijgebleven van de afgelopen jaren is dat ik dubbelop geniet van belevenissen en ervaringen als ik ze mag meemaken met iemand die mij lief is, iemand die speciaal is voor mij en voor wie ik ook speciaal ben. Maar zo'n persoon vind je niet zomaar, juist omdat ze heel speciaal is en daardoor zeldzaam.

Twee ontmoetingen bleven me dit jaar bij. Het waren ontmoetingen met een positieve lading. De herinnering aan die ontmoetingen bleef een tijdje sluimeren maar begon vervolgens op de voorgrond te treden. Tot het moment dat ik besefte dat ik iets moest gaan doen met die herinnering. De herinnering nestelde zich namelijk niet zonder reden tussen mijn oren, het wilde dat ik mij bewust werd van de betekenis ervan. Waarom bleef die herinnering, waarom gaf het mij zowel een prettig als een onrustig gevoel? En toen drong het tot mij door: de ontmoeting was voorbestemd, het had een reden. En als iets is voorbestemd moet ik er iets mee doen, dan moet ik actie ondernemen. Sommige kansen krijg je maar één keer en om ze te kunnen verzilveren moet ik een bepaalde schroom van mij afwerpen, moet ik kleine of grotere drempels nemen, moet ik wat moed verzamelen en mij niet laten leiden door angst voor afwijzing.

Ik heb de drempels durven nemen, heb de benodigde moed verzameld en zag het beloond worden in de vorm van een stralende vriendin die mij met liefde vervult. Het was natuurlijk niet alleen mijn verdienste. De moed kwam van twee kanten, evenals het vertrouwen. Contact zoeken met iemand die je nog maar een paar keer hebt gesproken is spannend, maar het is minstens zo spannend om positief te reageren op de toenadering. Want hoe goed ken je elkaar na twee ontmoetingen die alweer een tijdje in het verleden liggen?
Je krijgt nooit tweede kans op een eerste indruk. De eerste indruk was goed en werd enkele weken later bevestigd bij de tweede ontmoeting. Dat de herinnering aan die ontmoetingen bleef hangen was een volgende bevestiging. Dat was het teken dat het goed zat, dat het geoorloofd was om contact te zoeken, dat er een gezonde interesse was gewekt. En dat bleek wederzijds te zijn.

Ik ben ontzettend blij met haar, ze is mooi, creatief, muzikaal, liefdevol, warmbloedig en nog veel meer waardoor ze mij voor haar laat smelten. Ik zou elke dag bij haar willen zijn, haar elke dag in de ogen willen kijken, haar willen aanraken. Dat is helaas niet mogelijk, maar verlangen naar iemand is ook mooi, omdat het de dankbaarheid vergroot voor de momenten die je samen kan delen.

dinsdag 23 januari 2018

Geluksmoment

Ze was een brunette met blauwe ogen. En ze heette Laura, de eerste volwassen vrouw waar ik als puber verliefd op was. Misschien is verliefd een te sterk woord voor wat ik voor haar voelde. Laat ik het bewondering noemen. Ik bewonderde haar om haar schoonheid, om haar lach, om haar verhalen. Dat ze zich zo vrij voelde in mijn gezelschap was, dat besefte ik heel goed, te wijten aan mijn leeftijd. Ze zag in mij geen partij. Ik was te jong, was in haar ogen geen seksueel roofdier maar een aandoenlijk ventje dat net onder de rok van zijn moeder vandaan was gekropen. Bovendien was ik het neefje van haar vriend, een man van twintig met een rijbewijs, baardgroei en brede schouders. Mensen merkten wel eens op dat ik op mijn neef leek waardoor ik mij gevleid voelde, maar ze doelden daarbij met name op ons gevoel voor humor. Scherpe oneliners waren onze specialiteit maar op fysiek gebied bleef ik bij hem achter. Hij was al gepokt en gemazeld in militaire dienst, ik kende slechts het geluid van een klappertjespistool. Mijn levenservaring ging niet verder dan overleven tijdens de dagelijks gang naar de brugklas.

Hoe stoer mijn neef ook mocht zijn, hij woonde nog wel bij zijn ouders thuis. En zijn ouders waren mijn oom en tante. Omdat Laura daar veel over de vloer kwam, kwam ik opvallend vaak ‘zomaar’ even aanwaaien bij mijn familie, want op dagen dat ik Laura had gezien voelde ik mij gelukkig en de kans op een gelukkige dag wilde ik mijzelf niet ontnemen. Laura was een verrijking van mijn leven, gewoon door haarzelf te zijn als ik bij haar in de buurt was. Bij haar zat de echte schoonheid zowel van binnen als van buiten maar ze leek zich er niet van bewust te zijn, hetgeen haar nog aantrekkelijker maakte. Laura gaf mij hoop. Als mijn neef, met zijn vreemde humor, zo’n mooie vrouw voor zich wist te winnen, dan zou ik dat ook moeten kunnen, ooit. En een rijbewijs zou mij daar bij kunnen helpen, want welke vrouw houdt niet van een roadtrip? Het was mijn droom, een roadtrip maken met de liefde van mijn leven. Maar rijlessen lagen nog minstens 5 jaar in de toekomst.

Laura had wel een rijbewijs. Twee zelfs. Ze mocht zowel auto als motor rijden. En dat deed ze dus ook. De auto waar ze in reed, een Datsun 240Z uit 1974, was van mijn neef, de motor waar ze op reed was van haarzelf.

Ik liep weer eens de straat in waar mijn oom en tante woonden en zag haar motor voor het huis staan, een zwarte Honda CB 650 SC Nighthawk uit 1982. Ik toverde mijn onnozelste gezicht tevoorschijn, belde aan en wachtte vol verwachting. Mijn hart maakte een sprongetje toen bleek dat Laura de deur open deed. Met grote Bambi-ogen keek ik haar aan. Ik hoefde gelukkig nooit een reden te noemen als ik op bezoek kwam omdat er nooit naar een reden werd gevraagd. “Hé, kom binnen. Zin in thee?”.

Die dag leek alles mee te zitten. Mijn neef was er niet, mijn tante was druk in de keuken en Laura's aandacht richtte zich volledig op mij. Ze zat op haar praatstoel, ik zat schuin tegenover haar en genoot van haar verschijning en van haar opgewekte stem. Tot het moment dat de telefoon ging. Mijn tante nam op en gaf een bericht aan mij door. “Niels, het is je moeder. Je had een half uur geleden al thuis moeten zijn”.
Ik schrok. Was het al half vijf? Ik was de tijd uit het oog verloren waardoor mijn geluksmoment bruut werd verstoord. Net op het moment dat ik helemaal in mijn element was moest ik vertrekken. Het was zeker vijftien minuten lopen naar huis, tien minuten als ik in draf zou gaan.


“Ik breng je wel even”, zei Laura totaal onverwacht. “Met de motor zijn we er in een paar minuten”. Ze sprong op, liep naar de gang, trok haar jas aan en pakte haar helm. Ze gaf de helm van mijn neef aan mij. Samen liepen we naar buiten. Ze zwaaide haar slanke been lenig over het zadel van de Honda en gebaarde dat ik achterop moest gaan zitten. Nadat ik de helm over mijn hoofd had geschoven zwaaide ik ook mijn been over het zadel en nam plaats achter de smalle rug van Laura. Ik strekte mijn armen schuin naar achteren om het bagagerekje vast te pakken.
“Je kan me beter om mijn middel vasthouden”, merkte Laura op terwijl ze naar achteren keek, met haar bovenlijf naar me toegebogen. Dat advies nam ik graag ter harte, ook al voelde het alsof ik door het mooiste meisje ten dans werd gevraagd op een eerste dansles, wetende dat ik nog geen danspas had geleerd en een grote kans liep om een modderfiguur te slaan.


Ze pakte mijn linkerhand en legde die op haar buik. Mijn rechterhand volgde na een korte twijfeling op eigen kracht. “Je moet wat dichter tegen mij aan komen zitten en met mij meebewegen in de bochten”. Haar stem klonk iets strenger dan gewoonlijk. De motor was haar domein, zij was hier de leider. Mijn lot was vanaf het moment dat we wegreden afhankelijk van haar stuurkunsten maar ik legde mijn lot graag in haar handen. Ik voelde de warmte van haar zachte buik door haar dunne jas heen. Mijn handen bewogen vrijwel onzichtbaar op en neer in het ritme van haar ademhaling. We zaten tegen elkaar als twee theelepeltjes in een besteklade. Dichter dan dit was ik nog nooit bij een vrouw geweest. Het was een surrealistische ervaring, een droom die ik nooit durfde te dromen. Dit was een geluksmoment dat mij altijd zou bijblijven.


Ik wilde intens genieten van elke seconde, wetende dat het een korte rit zou zijn. Harder dan 50 reden we niet, we reden immers binnen de bebouwde kom, maar voor mijn gevoel vlogen we. Haar lange haren wapperden langs mijn nek en voelden als een streling. De motor remde iets af, ik drukte door de vertraging met mijn bovenlijf tegen haar rug maar ze ving de extra druk goed op. Ze oogde tenger, maar had genoeg kracht in de schouders en armen om de 650 cc met extra belading in bedwang te houden. Bocht naar links, stukje rechtdoor, bocht naar rechts en we reden de straat van mijn ouderlijk huis in. Ze kneep de koppeling in en liet de motor uitrollen tot voor het huis van mijn ouders. Ze stopte naast de stoeprand. “Je mag afstappen hoor”, lachte ze maar ik wilde niet. Ik wilde haar niet loslaten maar wist dat het moest. Ze was niet van mij, haar hart lag bij mijn neef en ik gunde hem deze geweldige vrouw.


Ik stapte af, bedankte haar voor de lift en groette haar zoals verlegen pubers dat doen: onhandig en net iets introverter dan ik had willen zijn. Toen ze weg reed wist ik het. Als ik later groot zou zijn wilde ik ook zo’n vrouw. Maar bovenal wilde ik zo’n motor.

dinsdag 16 januari 2018

Werken aan de weg


Het is net als in de voorgaande weken bijna dertig graden met een hoge luchtvochtigheid. Geen omstandigheden om grootse fysieke prestaties te leveren, of het moet in een zwembad zijn. De lucht is gevuld met warmte en met de tonen van Latijns-Amerikaanse dansmuziek.

‘Waar woon je?’, vraagt hij ogenschijnlijk oprecht geïnteresseerd. ‘In Meerzorg, aan de Weg naar Peperpot’, antwoord ik naar waarheid. ‘Als jij op de NDP stemt, zorgen wij dat de weg voor jouw huis wordt verhard’. Zijn ogen kijken vol overtuiging in de mijne. Daarna strekt Desi zijn rechterhand uit en terwijl ik zijn hand ontvang in de mijne zegt hij ‘Blijf nog even, je krijgt nog iets van mij’. Hij laat mijn hand los, gebaart naar een medewerkster die zich vervolgens omdraait, een kamer in loopt en dan bukt om een plat pakketje uit een grote kartonnen doos te halen. Een paar seconden later komt ze teruglopen met een uitgevouwen T-shirt voor haar borst met daarop in paarse letters de tekst: “Stem NDP”. NDP staat voor Nationale Democratische Partij en is een politieke partij in Suriname.

Het is 1991 en de campagnes voor de verkiezingen zijn in volle gang. Ik ben slechts een toeschouwer van de politieke campagnes die gaande zijn en kom langs om gratis T-shirts te scoren die ik als souvenirs beschouw. De NDP is vier jaar geleden, in 1987, opgericht door Desi Bouterse, in die tijd betiteld als de dictator van Suriname. Het T-shirt wordt mij door Desi in mijn handen gedrukt, begeleid door een joviale schouderklop. ‘Stem NDP!’, klinkt het gebiedend. De oprichter van de partij is weer verder gelopen en staat nu tien meter van mij vandaan, druk bezig met handen schudden en knuffels uitdelen. Brasa’s noemen ze die hier en Desi is dol op het uitdelen van brasa’s, vooral aan jonge vrouwen. Ik doorzie de ware bedoelingen van deze man, maar ik kan me voorstellen dat mensen achter hem aanlopen en hem geloven op zijn woord. Hij is zeer charismatisch en zijn aangeboren charme weet hij op de juiste momenten in te zetten.

De politieke campagnes richten zich op het paaien van stemgerechtigden door het weggeven van T-shirts en uitdelen van lekkere hapjes. En ze weten precies wat hier populair is. Hier, in Nieuw Amsterdam, wonen veel Javanen en die zijn dol op Saoto, een Javaanse maaltijdsoep met ei. Deze soep is ook mijn favoriet voor de lunch. In een hoekje van het terrein staan mooi geklede Javaanse vrouwen soep uit te delen aan de massaal toegestroomde inwoners van het dorp, waarvan ik vermoed dat het merendeel bestaat uit aanhangers van de KTPI, de partij die is opgericht voor en door Javanen, met in hun logo een wajangpop. Maar ook de Progressieve Arbeiders- en Landbouwers Unie (PALU), de partij van mijn stagebegeleider, heeft hier een fanatieke aanhang. Ook van deze partijen heb ik inmiddels een T-shirt. Die van de KTPI is duidelijk van mindere kwaliteit dan die van de PALU en de NDP. Het zal een geldkwestie zijn. Kwaliteit is duur en het gaat niet om de kwaliteit maar om het gebaar. Een motto dat hier diep in de politiek geworteld is.

In hun fanatisme om stemmen te winnen zien de partijmedewerkers blijkbaar over het hoofd dat ik een Nederlander ben en geen stemrecht heb in Suriname. Of proberen ze via mij de stemgerechtigde Surinamers over te halen om NDP te stemmen? Dat ze mijn aanwezigheid zien als Nederlandse steun aan de NDP? Ik kijk om mij heen om te zien of er mensen van de pers aanwezig zijn. Ik zie echter niemand met een professionele camera rondlopen zodat ik opgelucht ademhaal en mij stilletjes terugtrek uit de drukte. De persfotograaf had waarschijnlijk vertraging omdat hij door de schaarste aan brandstof niet heeft kunnen tanken. Of zijn auto was stuk, hetgeen een veelgehoord excuus is omdat het gezien de staat van het wagenpark in Suriname erg geloofwaardig is. Het kan ook zijn dat de veerpont vol was en hij er niet meer bij op kon zodat hij minimaal een uur vertraging oploopt of, en dat is altijd het spectaculairst, de veerpont is afgedreven door motorstoring. Afhankelijk van het tij drijft de pont dan af naar het noorden of naar het zuiden. Maar hoe het tij ook staat, je zit de rest van de dag vast op een roestige boot.

Nadat ik een bakje saotosoep ben gaan halen en met genoegen heb opgegeten, al hadden de dames wat minder scheutig mogen zijn met de peper, wil ik huiswaarts keren. Mijn auto staat echter ingesloten door enkele grote zwarte Nissans Maxima, zo te zien toebehorend aan de delegatie van Bouterse. Ik zou in mijn auto kunnen stappen en gaan toeteren om de aandacht te trekken van de bestuurders van de zwarte auto’s maar besluit wijselijk te wachten tot het probleem vanzelf oplost. Ik leg mijn NDP-T-shirt in de auto en loop naar een warung op de hoek van de straat en vraag om een frisdrank, een soft zoals ze die hier noemen. Ik loop met mijn flesje terug in de richting van mijn auto en ga op een brokkelig muurtje zitten onder een koningspalm waarvan de bladeren licht ruisen in de aanlandige wind. Op het moment dat ik een gulzige slok uit het flesje neem zoemt een luidruchtig insect vlak bij mijn oor. In een reflex sla ik van mij af en mors ik een flinke plas soft op mijn T-shirt. De aanval van het insect is afgeslagen maar mijn T-shirt is doorweekt en plakkerig. Daar kan ik niet in blijven rondlopen. De oplossing voor het onverwachte probleem ligt echter op de stoel in mijn auto. Ik trek mijn natte shirt uit, pak het zojuist gekregen T-shirt van de NDP en trek deze aan. Het is puur voor nood, niet voor de campagne. Ik voel aan de mouw van het shirt en concludeer dat er veel geld in de partijpot zat. Dit T-shirt kan een stootje hebben.

Tien minuten later komt Bouterse met zijn delegatie aanlopen, omringd door vriend en vijand, met beide handen zwaaiend in de lucht, duimpjes omhoog en met een brede glimlach op zijn gezicht. Hij heeft weer flink wat vrouwen tegen zijn borst mogen drukken vandaag. Daar zou ik ook vrolijk van worden, want er lopen hier fraaie exemplaren rond.

Een beveiliger opent het portier van de Nissan Maxima om Desi te laten instappen. Op het moment dat hij instapt kijkt Bouterse nog even rond. Onze ogen ontmoeten elkaar. Hij stopt even en blijft in half gebogen houding stil staan. Dan richt hij zich op en wijst hij naar mij. ‘Weg naar Peperpot mijn vriend’. Daarna stapt hij in.

Ik blijf versteend zitten. Was dit een bedreiging? En belofte? Een herinnering? De zwarte auto’s rijden weg en laten mij vertwijfeld achter. Een paar minuten later stap ik ook in mijn auto en rij terug naar Meerzorg, naar mijn onderkomen. Na een half uur rijden draai ik de Weg naar Peperpot in. Grote gaten in de onverharde, met schelpenzand bedekte weg halen de snelheid er flink uit en de auto piept en kraakt terwijl ik tijdens het rijden heen en weer word geschud. De wegen worden matig tot slecht onderhouden en op plaatsen waar zich tijdens regenbuien kleine plasjes vormen in kleine kuiltjes zijn binnen korte tijd grote gaten te verwachten doordat het onderliggende verweekte schelpenzand onder de wielen van passerende auto’s wegspat. Even later draai ik het erf op en parkeer de auto. Ik loop naar binnen en trek meteen een ander T-shirt aan.

Een week later zit ik op de veranda een boek te lezen. Het getjirp van de krekels vormt een continue achtergrondruis die pas opvalt als het stilvalt. En als het stilvalt worden mijn Javaanse buren bang, want volgens de legende kan je dan bezoek verwachten van bakroes. En aangezien bakroes akelige gemene kabouters zijn hou je ze liever buiten de deur. Ik ben dus blij met het aanhoudende getjirp.

Plots wordt de rust verstoord door het aanzwellende geluid van zware motoren. Ik kijk op en loop naar de weg waar ik een grote kiepwagen zie met daarachter een machine waarmee men zand vlak kan schuiven. Bovenop de kiepwagen staan een paar mannen die schelpenzand uit de laadbak scheppen en in gaten gooien. Daarna wordt de weg over de volle breedte vlak gestreken. Op de vrachtwagen wapperen links en rechts vlaggen en uit de wagen schalt luide, opzwepende salsamuziek. Als ze dichterbij komen zie ik wat er op de vlaggen staat: “Stem NDP”. Ik begin te lachen en schudt mijn hoofd. Wat een lef, om midden in een bolwerk van KTPI en PALU-aanhangers je zo te profileren. Het is stroop smeren van het hoogste niveau, openlijke omkoperij. De buurman komt aanlopen met zijn KTPI-vlag en zwaait deze boven zijn hoofd in het rond. Geen agressie, alleen joligheid. Want ondanks het fanatisme ervaren de mensen de campagnes als een feestje met cadeaus uit verwachte en onverwachte hoek. Ze profiteren er graag van want in deze magere tijden is alles beter dan niets.

Vandaag is de Weg naar Peperpot ontdaan van zijn gaten en kuilen en ik vlei mijzelf met de gedachte dat dit volledig te danken is aan mijn grote blauwe ogen.

dinsdag 20 juni 2017

Was zij de ware?


In de beginjaren van mijn studie in Velp, dat was in de jaren vlak voor de invoering van de OV-jaarkaart, liftte ik regelmatig van Arnhem naar Zwolle. Arnhem was mijn woonplaats en in Zwolle stond (en staat) mijn ouderlijk huis. Ik liftte met één simpele reden: geld besparen. Een enkeltje Arnhem-Zwolle kostte rond de tien gulden en als ik een lift kon krijgen dan had ik weer een tientje kunnen besparen. Geld was dus mijn drijfveer, of liever gezegd, het gebrek aan geld was mijn drijfveer. Op vrijdagmiddag pakte ik mijn rugzak vol met vuile was en boeken, liep ik de stijle trap af van het studentenhuis waar ik woonde en begon ik aan de voettocht van de voordeur naar de plek waar ik een lift hoopte te krijgen. Het was een wandeling van circa 2 kilometer, waarbij ik op de helft van de route station Velperpoort passeerde. Dat was altijd het moment waarop ik de definitieve beslissing nam om te gaan liften of om toch nog de trein te pakken. Telkens weer ervoer ik het als een kleine overwinning op mijzelf als ik het station voorbijliep en mijn weg vervolgde richting de Apeldoornseweg, waar ik mijn liftplek had gekozen tegenover het Sonsbeekpark.

Als ik met de trein ging dan wist ik dat ik een uur onderweg zou zijn voordat ik op station Zwolle zou arriveren. Vanaf daar was het nog slechts tien minuten lopen naar mijn ouderlijk huis. Als ik ging liften was ik nergens zeker van. Soms stond ik maar een minuut te wachten, soms ruim een half uur. En als ik dan in Zwolle arriveerde werd ik meestal afgezet bij de afrit naar Zwolle Zuid. Vanaf daar was het nog drie kilometer lopen naar huis. Met een zware rugzak. Ik kreeg mijn tien gulden dus niet zomaar cadeau, er moest flink voor gewandeld worden, al draait een vierdaagse loper zijn hand niet om voor dergelijke afstanden.

Ik ging vrijwel elk weekend naar Zwolle. Arnhem was niet mijn stad, ik voelde mij er de eerste jaren niet thuis. Het was te groot voor mij, te onoverzichtelijk. Kroegen of disco’s waren niets voor mij dus daar zocht ik mijn vertier niet. Liever ging ik naar huis, waar mijn familie en vrienden woonden.

Om de progressie van mijn studie niet in gevaar te brengen had ik geen televisie in mijn studentenkamer. Televisie is mijn vijand, ik kan uren achter elkaar naar de televisie kijken waarmee ik elk sprankje creativiteit de kop indruk. De afwezigheid van een televisie was voor mij een zegen. Zelden was ik creatiever en poëtischer dan in mijn studententijd. Ik schreef verhalen, schreef gedichten, tekende veel en studeerde met een gezonde dosis fanatisme. Het heeft me vlot door mijn studie geholpen. De creativiteit zorgde ook voor een gevoel van vrijheid en blijheid tussen de oren. En dat gevoel nam ik mee als ik ging liften en verwachtingsvol met mijn bordje ‘Zwolle’ langs de weg stond te wachten.

Er bestaat geen standaard persoon als het gaat om mensen die lifters meenemen. Ze waren van jong tot oud, van alleenstaand tot stelletjes, van zeer zwoele jonge vrouw tot grijzende homoseksuele man. Maar wie mij ook meenam, de eerste vragen die op mij afgevuurd werden, waren vrijwel altijd hetzelfde. ‘Ben je student?’ ‘Wat studeer je?’ En enthousiast als ik was over mijn studie zat ik nooit verlegen om woorden.

Slechts één keer heb ik een lift gehad van iemand die echt geen zin had in een gesprek. Dat klinkt vreemd, want waarom neem je dan een lifter mee, maar misschien was hij geen prater maar hield hij wel van gezelschap. Op het moment dat het tot mij doordrong dat een gesprek er niet in zat voelde ik mij even ongemakkelijk, maar korte tijd later genoot ik van de stilte en gaf ik mijn ogen de kost door vanuit de auto de omgeving in mij op te nemen.

Soms was er concurrentie op de liftplek. Dan stond er al iemand of kwam er iemand aanlopen als ik er al stond. Op het moment dat ik iemand zie voel ik wel of niet een klik. Dus als ik een klik voelde met de andere lifter dan was een korte groet vaak voldoende om tot een gesprek te komen en af te spreken om samen te liften, als de automobilist het goed zou vinden.

Toen brak de dag aan die mijn leven een andere wending had kunnen geven als de sterren net iets anders zouden hebben gestaan. Nadat ik al minstens een kwartier in mijn eentje op de liftplek had staan wachten stopte er een auto een paar meter bij mij vandaan. Op het moment dat ik mijn rugzak van de stoep pakte kwam een andere lifter, een stoffige hippie, achter mij vandaan rennen om mijn lift in te pikken. Dat liet ik niet gebeuren dus ik rende er achteraan. Terwijl hij de bijrijdersdeur opende trok ik de passagiersdeur open. Snel vroeg ik ‘Mag ik mee?’ Er volgde een bevestigend antwoord waarna ik achterin plaatsnam terwijl de inpikker, die niet eens een tas bij zich had, naast de bestuurder plaatsnam. De bestuurder was een jonge vrouw, ook dat nog, waar de hippie al snel een wazig gesprek mee begon te voeren, zoals alleen hippies dat kunnen. Veel passief agressief geleuter over vrede en liefde terwijl zijn enige bijdrage aan de wereld bestond uit het kweken van vlooien. Ik probeerde nog wel deelgenoot te zijn van het gesprek maar vanaf de achterbank was dat in de lawaaiige auto een onmogelijke opgave. Dus zocht ik via de achteruitkijkspiegel contact met de bestuurster. Twee vriendelijk ogen keken mij met regelmaat aan, alsof ze wilde zeggen ’help me, blijf bij me’. Ik gedachten voerde ik mijn eigen gesprek met haar prachtige heldere ogen, maar een kans om haar te leren kennen kreeg ik niet. Ik kreeg het gevoel dat mij door de hippie veel meer was ontnomen dan een plek op de passagiersstoel waardoor ik een nog grotere hekel aan hem kreeg dan ik al had toen hij mij voorbij rende op de liftplek. Ik besloot mij als redder op te werpen door niet eerder uit te stappen dan de hippie. Hij zou geen kans krijgen om met haar alleen te zijn. Gelukkig stapte ook hij in Zwolle uit, waarna we beiden onze eigen weg vervolgden. Ik hoopte hem nooit weer te zien. De jonge vrouw bedankte ik vriendelijk voor de lift. Ze glimlachte en bedankte mij ‘omdat je mij beschermd hebt’. Maar dat laatste verzon ik er zelf bij.

De weken daarna heb ik de hoop gekoesterd dat ik nog een herkansing zou krijgen. Dat ik deze jonge vrouw met haar lieve ogen nog een keer zou ontmoeten en een gesprek met haar zou kunnen voeren. Ik wist dat de kans klein was omdat zij toevallig die dag in Arnhem moest zijn, maar wordt er niet vaak gezegd dat toeval niet bestaat? Mijn gevoel zei mij dat we elkaar veel te vertellen hadden, maar het was blijkbaar niet voorbestemd want ondanks dat ik de weken daarna rond hetzelfde tijdstip op dezelfde plek stond kwam ze niet meer voorbij.

Het voorval is mij lang bijgebleven. Ze stopte toen ze mij zag staan en een ander wilde er met haar vandoor gaan. Ik heb alsnog mijn plekje weten te bemachtigen, maar op een kansloze tweede rang. Ik zal nooit weten wat het leven mij zou hebben gebracht als de hippie mijn plek niet had ingepikt. En misschien is dat maar beter ook, want soms is niet-weten beter dan weten.

Let it be


Soms neemt het leven een wending die niet met een kleine stuurcorrectie teniet gedaan kan worden. Om bij te kunnen sturen en op het gewenste pad te kunnen komen, zijn vaak drastische ingrepen nodig en moeten offers worden gebracht. Een van de geofferden is mijn hobbyauto, de Kever. Mijn autootje, die mij negen jaar lang zoveel plezier maar ook zoveel zorgen heeft gegeven, zorgen en financiële aderlatingen en daaruit voortkomende frustraties die ik in deze fase van mijn leven er niet meer bij kon hebben. Al bijna twee jaar stond ze stil in onze gehuurde garagebox. De APK verliep in oktober 2012. Een nieuwe APK zou weer een financiële injectie vergen en dat aan de vooravond van de winter, een periode waarin de Kever veelal niet buiten haar box komt. De liefde voor de Kever was er nog steeds, telkens als ik haar zag werd ik weer vertederd door haar mooie bolle vormen. Maar deze liefde werd niet meer gedeeld door het andere volwassen lid van mijn gezin. En dan is er onvoldoende draagkracht om de hobby te laten voortbestaan. Meer dan ooit diende mijn focus op het gezin te liggen en is de hobby ondergeschikt geraakt aan mijn enige en hoogst bereikbare doel: het herstellen van de relationele verhoudingen tussen mijn prachtige vrouw en mijzelf. De verkoop van de Kever was niet de enige actie die nodig was voor het bereiken van mijn doel, maar het gaf wel meer financiële armslag en daarmee mogelijkheden om betere omstandigheden te creëren die zouden kunnen bijdragen aan het bereiken van mijn doel. Of het doel gehaald zou worden was vooralsnog ongewis, maar ik wilde mijzelf later nooit kunnen verwijten er niet alles aan gedaan te hebben. En dus moest 'Herbie' plaatsmaken.

Ik had advertenties gezet op enkele autoverkoopsites. Het duurde even voordat er reacties kwamen en dat ondermijnde mijn vertrouwen in een vlotte verkoop. Maar na een week kwam er een reactie uit Duitsland. De man bleek erg enthousiast te zijn over de advertentie en anders dan ik ooit had verwacht sloeg zijn enthousiasme op mij over. De openhartige correspondentie tussen ons was daar de oorzaak van. Ik begon het leuk te vinden om mijn Kever te verkopen, in mijn beste Duits, aan iemand die er duidelijk een hart voor heeft. De plannen die de Duitser had met mijn Kever lagen helemaal in de lijn die ik er voor in gedachten had. En wat ik de Kever niet meer kon geven, namelijk aandacht en een flinke financiële injectie, kon deze man wel. Ten tijde van de onderhandelingen kwamen er nog diverse andere reacties binnen waarvan één ook zeer veelbelovend was voor de toekomst van Herbie. Maar de Duitser had een voorsprong en die voorsprong werd niet meer ingehaald. En dus werd de deal gemaakt via de mail en telefoon. Wat ons restte was een geschikte datum vinden om de auto op te halen. Dat viel nog niet mee, omdat er meerdere partijen bij betrokken waren. Allereerst de koper en de verkoper, maar ook degene die een autoambulance moest leveren, de monteur van de koper en een vriend van de koper. Het werd uiteindelijk zaterdag 17 november 2012, drie weken na het sluiten van de deal. Spannende weken, want ik had de koper nog niet in levende lijve gezien, enkel mail- en telefoonverkeer hadden de deal tot stand gebracht.

Om de Kever te kunnen verkopen aan een Duitser moest ik een exportvergunning aanvragen bij de RDW in Arnhem. Dat diende te gebeuren vóórdat ik Herbie daadwerkelijk had verkocht, dus voordat ik het geld in mijn handen had. Op het moment dat ik de exportpapieren had ondertekend mocht de auto niet meer op de Nederlandse weg rijden en zou, bij het afketsen van de deal, een vervelende situatie ontstaan.

De vervelende situatie bleef gelukkig uit. De heren meldden zich na een enkele reis van ruim 200 kilometer netjes op tijd bij mijn huis. Daarna reden we gezamenlijk naar de garagebox waar de Kever zonder kentekenplaten stond te wachten op het definitieve afscheid. Na een korte inspectie duwden we de 47 jaar oude auto de box uit richting de ambulance. Het takelen nam slechts een paar minuten in beslag waarin bij mij de emoties inwendig alle kanten op vlogen. Vervolgens werden de reserveonderdelen ingeladen: drie spatborden, een benzinetank, dozen met rommel, tapijt en wat dies meer zij. Alles moest mee want ik wilde niets overhouden. De garagebox moest leeg.

We reden daarna terug naar mijn huis om het papierwerk verder af te handelen. Eigendomspapieren werden verruild voor harde cash waarmee de deal definitief rond was. Op dat moment kwam dochterlief met mijn vrouw terug van zwemles en ondanks dat ze wist dat 'haar' Herbie verkocht zou worden kwam ze huilend binnenlopen nadat ze had gezien dat haar auto op de autoambulance stond. Dat maakte het afscheid niet gemakkelijker, maar het besluit was al lang geleden genomen en de deal was rond. Tien minuten later hebben we samen Herbie uitgezwaaid, met tranen in de ogen en op de wangen. Het was het einde van een tijdperk, zowel van mijn Kever als, zo bleek een half jaar later, van mijn huwelijk.

zaterdag 30 januari 2016

Overmoed


Rood, knalrood zelfs. Geen krasjes, geen deukjes, geen verkleurde plaatdelen. De Peugeot stond erbij alsof hij gisteren uit de showroom was gereden. In 1990 kocht Ronald deze 205, vlak na zijn afstuderen, van het geld uit de erfenis van zijn grootvader. Hij wilde mobiel zijn om zijn kansen op een baan te vergroten. Uiteindelijk was het niet de auto die hem een baan bezorgde, maar zijn buurman die hem had voorgedragen bij een kennis die een bedrijf leidde in farmaceutica. En daar werkte hij sindsdien als laborant.

De Peugeot was een 1.8 XRD, een diesel met maar liefst 60 pk. Ronald had nooit het gevoel gehad dat hij met deze 60 pk tekort kwam in het verkeer. Vanwege het geringe gewicht van de 205 kon hij heel goed meekomen te midden van de moderne auto’s, al was hij bij een stoplichtsprintje bij voorbaat al verloren. Maar het wagentje moest het niet hebben van zijn acceleratie of topsnelheid, maar van zijn betrouwbaarheid en zuinigheid. Een diesel zat wel in een hoger tarief dan een benzineversie, maar met 846 kilogram op kenteken kostte het hem niet de hoofdprijs. Met gemak haalde hij 20 kilometer op een liter diesel en deed daarmee niet onder voor moderne diesels. Maar de auto voldeed niet meer aan de eisen van de moderne tijd, ondanks de lage afschrijving, de geringe onderhoudskosten en de bescheiden houderschapsbelasting.

Ronald was een man die al in zijn jonge jaren had gekozen voor duurzaamheid. Zo was hij in 1990 al vaste klant bij de biologische winkel toen het grootste deel van de Nederlandse bevolking zelfs nog nooit gehoord had van afvalscheiding. Hij kocht al sinds mensenheugenis scharreleieren en scharrelvlees en gooide eventuele restjes van een warme maaltijd nooit weg maar verorberde deze de dag erop. Tevens vermeed hij zoveel mogelijk producten die in plastic waren verpakt. Ondanks dat hij niet graag pochte, vond hij dat hij goed bezig was.

Zijn 26 jaar oude, snaarstrakke 205 werd door hem gekoesterd. De eerste tien jaren was het een buitenslaper geweest, maar toen de financiële middelen wat ruimer waren geworden en er een groter huis met garage gekocht kon worden werd de Peugeot gepromoveerd tot binnenslaper. Na een regenbui werd de auto altijd afgezeemd onder de carport voordat hij in de garage werd gezet. En dat al 16 jaar.

Zijn twee kinderen zijn er mee opgegroeid. Als baby zaten ze in de maxi cosi, achterstevoren op de achterbank. Later, toen ze een jaar of negen waren, mochten ze voorin zitten. De eerste tijd nog op een stoelverhoger, later gewoon met de billen op de zitting van de autostoel. Zijn vrouw merkte soms gekscherend op dat hij drie kinderen had: een jongen, een meisje en een 205.

Maar het tij keerde zich tegen hem. ‘Diesels zijn vervuilend’ werd door de milieulobby geroepen. ‘Diesels moeten aan banden worden gelegd’. ‘Oude diesels zijn de grootste vervuilers’, schreeuwden de aanhangers van Groen Links terwijl ze op tweetact scootertjes door de stad reden. ‘Weg met de diesel’, werd het politieke motto van de wereldverbeteraars. Hij had nooit gedacht dat deze groene schreeuwers serieus genomen zouden worden omdat de door hun gehanteerde criteria voor het weren van diesels volkomen arbitrair waren. Desondanks werd de regel ingevoerd dat diesels die vóór het jaar 2001 waren geproduceerd niet meer de binnenstad van Utrecht in mogen. De zone was ingevoerd om de volksgezondheid te beschermen. Ronald woonde net buiten de milieuzone, in een woonwijk waar volksgezondheid blijkbaar minder belangrijker was dan in de milieuzone. En Ronald was, met zijn 205 met een uitstoot van 148 gram CO2/km , een bedreiging voor de volksgezondheid, net als de overbuurman met zijn Volkswagen Lupo 1.2 diesel die op kenteken was gezet op 1 december 2000. Ze waren beiden gebrandmerkt, door bureaucraten bestempeld als milieuonvriendelijke personen, als vijanden van de jeugd, de deugd en de duurzaamheid. De buurman in zijn Range Rover 3.0 TD6 , die op kenteken was gezet op 2 januari 2001 mocht echter gewoon de milieuzone binnen rijden ondanks de uitstoot van 299 gram/km. Het is namelijk niet de uitstoot die telt, maar het jaartal. Zo regelen we dat in Nederland.

Ronald had nog geïnformeerd of hij gewoon in de milieuzone mocht blijven komen als hij een roetfilter in het uitlaatsysteem zou laten plaatsen, maar de gemeente weerde zijn vraag af met het argument dat het effect van roetfilters tegenvalt. De filters maken de uitlaatgassen van diesels minder schoon dan verwacht en zou zelfs leiden tot een toename van NOx, zo zei men, zonder daar onderzoeksgegevens van te willen presenteren. Men houdt de antwoorden liever algemeen en gooit alles op één hoop. Dus Ronald, je bent een grote vervuiler, met jouw 26 jaar oude, goed onderhouden dieseltje die al jaren feilloos door elke APK komt.

Ronald merkte dat, nu de maatregel van kracht is geworden en de gemeente op verkeersborden pontificaal duidelijk maakt welke auto’s er niet meer welkom zijn in de binnenstad, hij met scheve ogen wordt aangekeken als hij zich ergens met zijn 205 vertoond, zelfs buiten de milieuzone. Bij de sportvereniging, bij het schoolplein, op de parkeerplaats van de supermarkt, hij ziet de mensen kritisch kijken naar zijn kentekenplaat. De kenners zien direct dat de 205 van vóór 2001 is. Hij stelt zich sindsdien daarom liever verdekt op achter bijvoorbeeld een Jaguar XJ 4.2 V8 uit 2003 of een Volkswagen Jetta diesel uit 2014 die de limiet voor de uitstoot van NOx liefst 15 tot 35 maal blijkt te overschrijden. Maar die auto’s mogen op basis van het bouwjaar wel de milieuzone in en worden daarom positief bejegend door de omstanders. Het zijn auto’s van wat heden ten dage de goede mensen zijn. En tot dat kamp behoorde Ronald niet meer. Hij was verworden tot een paria.

Zelfs zijn kinderen begonnen hem er op aan te spreken. ‘Papa, wanneer doe je dat oude ding eens weg?’ Oude ding? Die auto was een wezenlijk onderdeel van hun jeugd! Ze zijn er in groot geworden! En dan zo denigrerend praten over de prachtige rode wagen, dat icoon uit de jaren tachtig en negentig. Het jeugdjournaal had zijn vernietigende werk gedaan en de jonge breinen van zijn kinderen gehersenspoeld. De dode potvissen op het strand van Texel waren volgens hun de schuld van de 205, dat kon niet anders. Papa is een barbaar!

Vastbesloten om zich niet in de pariahoek te laten drukken ging Ronald op zoek naar een opvolger voor zijn trouwe 205. Na het doorspitten van meerdere recensies en tests op zijn favoriete Autoweek-website was zijn oog gevallen op een nieuwe Mitsubishi Outlander 2.0 PHEV. Een superzuinige hybride die vanwege zijn lage uitstoot in het half tarief van de houderschapsbelasting viel. De belasting kwam per maand zelfs 3,50 euro goedkoper uit dan met de kleine Peugeot, ondanks de omvang en het absurd hoge gewicht van de Mitsubishi, die bijna een ton zwaarder was. Dat lagere tarief compenseerde de hogere maandelijks premie van de autoverzekering met minstens 8%. Dat was toch mooi meegenomen.

De aanschaf van de auto kostte hem als particulier een vermogen, maar dat was wel te rechtvaardigen omdat hij al 26 jaar in dezelfde auto had gereden. Bovendien moest je wat over hebben voor een groene toekomst. Door de lage kosten voor de 205 ten opzichte van wat hij jaarlijks had gereserveerd aan onderhoud en afschrijving had hij behoorlijk kunnen sparen. Zijn vrouw ging na enige overreding ook overstag. Ook zij zag de noodzaak in van een schonere auto, want in de sportschool werd ze nauwelijks nog serieus genomen als ze met de 205 was komen aanrijden. Ook zij wilde het gevaar van een sociaal isolement keren.

De inruil deed hem pijn: slechts 850 euro kreeg hij voor zijn trouwe metgezel, een bedrag gelijk aan de afleverkosten van de PHEV. De gelikte verkoper voerde als excuus aan dat niemand meer zat te wachten op deze oude diesel, met name omdat er steeds meer milieuzones worden ingevoerd waar ze niet meer welkom zijn. En in Afrika zaten ze ook niet te wachten op een auto van dit formaat. Daar rijden ze liever in Corolla's.

De kinderen stonden te juichen toen hij met de PHEV kwam voorrijden. Eindelijk hoefden ze tegen hun vrienden, vriendinnen en leerkrachten geen verantwoording meer af te leggen voor hun milieuverstikkende Peugeot. Eindelijk hadden ze een auto waar slechts bloemen uit de uitlaat leken te komen. De uitnodiging voor een ritje door de regio werd door het hele gezin aangegrepen en weldra toerden ze vanaf hun huis, via de van gezondheid blakende milieuzone, naar de andere kant van de stad. De kilometers asfalt schoten vlot onder de zo goed als geruisloze auto door. Na een tiental kilometers met 130 op de snelweg begon echter onverwacht een lampje te branden. Het brandende lampje was een indicatie voor een lege accu. De auto schakelde automatisch over op de benzine gestookte motor. Hij keek op de dagteller en zag 42 kilometer opblinken uit de display. Dat was snel! Wat een tegenvaller. Gelukkig had hij de PHEV bij aflevering met een volle tank meegekregen. De kinderen wilden nog niet naar huis, ze wilden verder rijden, naar zee. Dat was nog maar dertig kilometer. Ronald ging er in mee, hij wilde het enthousiasme van zijn gezin niet temperen met zijn zorgen over de beperkte actieradius van het accupakket.

's Avonds keerden ze weer terug. De dagteller stond op 150 kilometer, waarvan hij er ruim 40 elektrisch had afgelegd. Vlakbij zijn huis reed hij een tankstation binnen waar hij de auto aftankte met Euro95. Er ging 11 liter in. Elf liter op 150 kilometer. Dat was circa 1 op 13,5. O wacht, eigenlijk was het elf liter op 110 kilometer, want de eerste veertig waren elektrisch. Dus reed deze milieuvriendelijke auto 1 op 10 als de benzinemotor aan het werk was. Da's een groot verschil met de 1 op 20 van zijn 205'je. Maar hé, hij mag wel de milieuzone in. Alleen jammer dat dit grote bakbeest bijna nergens fatsoenlijk in een parkeervak past. Ook onder de carport en in zijn garage is nauwelijks nog plek als de PHEV er staat.

Een week later kwam zijn vrouw thuis. Ze was helemaal overstuur. Haar blonde lokken hingen verlept langs haar hoofd en haar mascara was uitgelopen waardoor ze leek op een lid van de Adamsfamily. Mensen hadden haar erop aangesproken dat ze in zo'n groot bakbeest reed. "Zeker voor de lage bijtelling", hadden ze gesneerd. Toen ze opmerkte dat ze de auto particulier had gekocht was ze massaal uitgelachen. "Weet je wat zo'n ding kost aan afschrijving en verzekering per jaar?", hadden ze haar op een retorische manier gevraagd. "Je ontneemt ons het uitzicht als je dat gevaarte voor het raam zet", was het laatste wat ze nog hoorde nadat ze geschrokken in de auto was gestapt.

"Je had onze Peugeot nooit weg moeten doen Ronald", jammerde ze. "Ik vond het juist zo moedig dat je altijd jouw eigen lijn volgde, dat je wat milieubewustzijn en duurzaamheid betreft altijd voorop liep. Dat je de 205 altijd selectief gebruikte en er zo zuinig op was. En kijk wat we nu hebben! Een geldverslindend gevaarte dat ons door de omgeving wordt misgund. We hebben het niet goed doordacht Ronald, we zijn overmoedig geweest".

Ronald zweeg. Hij voelde tranen in zijn ogen opwellen en dacht met smart terug aan zijn trouwe kleine maar vooral eerlijke Peugeot.

vrijdag 20 november 2015

Ik lap ze aan mijn laars



Een auto kopen doe je met een reden. Je wilt mobiel zijn, je wilt een bepaalde mate van vrijheid voelen bij het reizen, je hebt vervoer nodig om op het werk te komen of om jezelf en eventuele kinderen naar allerlei afspraken te brengen die niet lopend of met de fiets zijn te bereiken. En de ene reden sluit de andere niet uit.

Tussen 1999 en 2012 maakte ik gebruik van het openbaar vervoer om op mijn werk te komen. Met het veranderen van werkgever veranderde ook de vorm van transport waarmee ik mijn woon-werkverkeer moest afleggen. Mijn huidige werkgever is vanuit mijn woonplaats niet binnen een acceptabele reistijd te bereiken. En dus werd ik een forens die zich per auto moet verplaatsen. En daar hoort een betrouwbare auto bij. Die hoefde ik niet te kopen want die had ik al, alleen werd het jaarkilometrage dat de auto gewoonlijk aflegde verdubbeld als gevolg van het toegenomen woon-werkverkeer. Binnen korte tijd zat de auto op een kilometerstand die voor mij als astronomisch aanvoelde en dus begon ik mij te oriënteren op de koop van een eventuele vervanger. Conservatief als ik ben stortte ik mij op het aanbod van een merk, model en uitvoering waar ik vertrouwd mee ben, te weten een nieuwer exemplaar van mijn oude auto. Na een prachtig exemplaar net aan mijn neus voorbij te hebben zien gaan beet ik mij vast in een volgend exemplaar dat wat prijs betreft een stuk hoger lag. Maar moet je een auto op voorhand op basis van vraagprijs negeren? Ik vond van niet, want één van de regels die ik hanteer is dat niet de vraagprijs bepalend is maar het bedrag dat je na inruil moet bijbetalen. Om jezelf te begrenzen moet je van tevoren weten wat je maximaal zou willen bijbetalen. Of dat bedrag haalbaar is hangt af van de bereidwilligheid van de handelaar om te zakken met zijn vraagprijs danwel om meer te bieden voor de inruiler.

Een andere regel die ik hanteer is dat de nieuwe auto minstens zo betrouwbaar en compleet moet zijn als de inruiler. En daar bleek de nieuwe aan te voldoen. Tot zover ging alles volgens de regels. Waar het fout kan gaan is wanneer de objectiviteit het verliest van de emotie. In mijn geval speelde de onzekerheid mee over de inruilprijs van de oude auto. Nette exemplaren met minimaal een halve ton minder op de teller stonden bij autobedrijven te koop voor maximaal 3000 euro. Wat mag je dan als inruilprijs verwachten van een auto die er van binnen en buiten behoorlijk gebruikt uitziet en een mogelijk kostbaar mankement onder de leden heeft? Een mankement waar ik open en eerlijk over moest zijn. Dan mag je al blij zijn als je 2000 euro geboden krijgt, bedacht ik mij.

Ik had van tevoren gesteld dat ik tussen 5000 en 6500 euro wilde bijbetalen. Dat hield in dat de nieuwe inclusief afleveringskosten niet meer mocht kosten dan tussen de 7000 en 8500 euro. En dat terwijl de nieuwe auto inclusief aflevering volgens de advertentie al op 9600 euro zou komen. Dan is er dus een gat van 2600 tot 1100 euro. Is dat te overbruggen? Is het realistisch om te denken dat ik in deze situatie een gat van minimaal 1100 euro sluitend kan krijgen? Objectief gezien niet. Maar als het gevoel sterker blijkt dat de ratio dan worden de financiële marges sluipenderwijs rekbaar.

Een proefrit was snel geregeld. Sterker nog, ik hoefde er niet eens om te vragen. Voordat ik het wist zat ik achter het stuur en reed ik de openbare weg op. Wat een strak interieur, wat een heldere displays, wat een soepele handbak. En voel eens hoe de auto wil versnellen als je het gaspedaal toucheert. De gehele lay out van de auto is bekend, maar toch lijkt de auto volstrekt anders. Hij is beter, solider, sneller, netter. Alles aan en in de auto kon aangeduid worden met een positieve overtreffende trap. Ik wilde deze auto hebben en terwijl ik mijzelf daar van overtuigde leek het bezwaar van het financiële gat minder relevant te worden.

Terwijl ik al rekenend de proefrit voltooide vergat ik om proef te zitten op de achterbank. Ik vergat zelfs alle regels die een aspirant autokoper moet naleven. Ik stopte niet om even te kijken onder de motorkap. Ik liep niet rond de auto om de banden te controleren en de bodem te inspecteren. Zelfs opende ik niet de achterklep om het laadruim te inspecteren en de reservewielbak te controleren. Deze auto is wat model betreft hetzelfde als mijn oude, dus wat viel er te controleren? Het kwam niet eens in me op. Ik was gebiologeerd door de dingen waar ik niet bekend mee was: regensensoren, parkeersensoren, cruise control, dat soort speeltjes. Maar wat mij het meest bezig hield was de pookknop. Die was anders dan die in mijn oude auto. Minder prettig in de hand, maar wel vele malen mooier. En zo ontstond een mix van gedachten die niets meer met objectiviteit maar wel met hebzucht van doen hadden. De ratio had plaats gemaakt voor sentiment, voor hebberigheid. Ik raakte vastbesloten om net zo lang te onderhandelen tot ik de auto de mijne mocht noemen waarbij ik het vooraf gestelde maximum bedrag eigenlijk al had losgelaten.

Het eerste bod op mijn oude auto bleek boven mijn verwachting te liggen. Ik verwachtte een absoluut maximum van 2000 euro en kreeg 2250 geboden, dus dat was al 250 euro ‘winst’. Trompetgeschal klonk in de verte. De roes van een overwinning drong zich op. Het doel kwam in zicht, de hartslag versnelde. De neiging om direct toe te happen was groot, maar een moment van geestelijke helderheid wierp licht op het verschilbedrag, te weten 7350 euro. Hoe praat ik dat voor mijzelf goed? Ik bedacht mij dat mijn oude auto hoognodig een beurt nodig had waarbij mogelijk de remschijven vervangen moesten worden. Die beurt zou mij minstens 500 euro gaan kosten. Misschien wel 700 euro. Die kosten hoefde ik niet meer te maken als ik nu de auto zou inruilen. En dan het mankement dat als een zwaard van Damocles bleef rondhangen. De auto reed er niets minder om, maar wat als het mankement zou verergeren? Welke opties had ik dan nog? Als ik de auto nu zou inruilen zou ik daarover geen zorgen meer hebben en zouden de eventuele reparatiekosten niet meer voor mijn rekening zijn. Het financiële gat werd fictief steeds kleiner.

‘En, hebben we een deal? ‘, vroeg de verkoper.

Mijn hersenen kraakten. ‘Ja’, schreeuwde mijn gevoel. ‘Nee’, zei de ratio. Mijn hartslag lag boven de 150 slagen per minuut. Als ik nu zou weglopen, wanneer zou zich dan weer een gelegenheid voor doen om de door mij gewenste auto met deze specificaties te kopen? En wat zou ik dan terugkrijgen voor de oude? Ik was het aan mijzelf verplicht om kritisch te blijven, om objectief te zijn over de financiële kant van het verhaal. Ik slikte even, trok een pokerface en probeerde zo stellig mogelijk te zeggen dat het bedrag dat ik maximaal wilde bijbetalen 6500 euro bedroeg.

‘Da’s een groot verschil’, merkte de verkopen op. ‘Ik weet niet of we dat kunnen overbruggen maar ik zal kijken wat ik voor je kan doen’, waarna hij opstond en wegliep naar een kantoortje in de hoek van de showroom. Even later kwam hij terug. Hij printte een nieuwe offerte uit waarop stond dat de inruilprijs voor mijn oude auto 450 euro was opgeschroefd, zodat het verschilbedrag op 6900 euro uitkwam.

Moest ik nu nóg een keer gaan bluffen en zou ik mijzelf daarmee buiten spel zetten? Hij accepteert een auto met de wetenschap van een mogelijk kostbaar mankement en wil er ook nog eens ruim 700 euro méér voor geven dan ik had verwacht. Ik krijg volledige garantie op de nieuwe, krijg gratis pechservice in Europa, ik krijg twee nieuwe banden, een volle tank benzine, een klantenpas met korting op onderhoud…..

Zo zakelijk mogelijk reageerde ik met ‘Op die paar honderd euro wil ik het niet laten afketsen’. De deal was rond, ik had mijn eigen afspraken geschonden, mijn eigen limieten genegeerd, mijn eigen grenzen overtreden. Ik had mij niet aan de regels gehouden, had gevoel boven ratio geplaatst en had mijzelf deze auto aangesmeerd. Maar ik was de hemel te rijk, zat op een wolk, mijn gezicht glunderde. Ik had een auto gekocht! Weliswaar geen nieuwe, sterker nog, al negen jaar oud, maar hij oogde als nieuw, voelde als nieuw. Het was mijn nieuwe auto! Schijt aan mijn regels!

zondag 3 mei 2015

Praktische oplossingen



Deze week was het in het nieuws. Niet dat het nieuws was, voor mij niet, maar kennelijk is eindelijk de tijd aangebroken om er nieuws van te maken, om het onder de aandacht te brengen, ook al is het een probleem van alle tijden: geluidsoverlast. Het kwam in het nieuws vanwege een onderzoek naar verkeerslawaai. En dat is dus specifiek gerelateerd aan allerlei geluidproducerende transportmiddelen. Naar schatting 600.000 tot 800.000 volwassenen hebben ernstige hinder door geluid waardoor een gevoel van afkeer, boosheid, onbehagen, onvoldaanheid of gekwetstheid ontstaat dat optreedt door negatieve beïnvloeding van iemands gedachten, gevoelens of activiteiten. Zou dat een verklaring kunnen zijn voor de toename van ‘verwarde mensen’ in onze samenleving? Of van het aantal agressievelingen op de weg?

Nog eens 300.000 tot 400.000 volwassenen hebben ernstige slaapproblemen door lawaai van wegverkeer. Dat heeft zelfs dodelijke gevolgen in de vorm van hartfalen. Men zou dus als verklaring voor overlijden ‘verkeerslawaai’ kunnen noteren, direct of indirect.

Ik kijk niet op van het bovenstaande want ik ben al jarenlang gevoelig voor geluiden. En al jaren loop ik tegen een vorm van onbegrip aan als ik mij daar over uit. Dat komt onder andere doordat geluiden die ik als storend ervaar vaak niet door anderen worden opgemerkt. Een goed gehoor heeft dus niet alleen voordelen, in bepaalde situaties is het een kwelling. Veelal is men geneigd te zeggen dat ‘het wel went’. Wennen aan ongemak beschouw ik echter als interen op welzijn. De maatschappij is vol begrip voor mensen die allergisch zijn voor aardbeien, pinda’s, pollen, koemelk of wat dies meer zij. Tegen deze mensen zegt men niet ‘wen er maar aan’. Want dat kan namelijk niet. Je kan wel rekening houden met de allergie door geen allergenen te nuttigen. Maar geluid is overal. Het wordt je van alle kanten opgedrongen. Of je nu in de bergen wandelt of door het bos, het geluid van vliegtuigen, helikopters of bromfietsen komt overal.

Een paar jaar geleden werd ik tijdens het kamperen geprikkeld door een zoemend geluid dat in de ochtend en in de avond als een jeukende deken boven de camping hing. Het overgrote deel van de campinggasten leek er geen last van te hebben of bevond zich in een ontkennende fase. Slechts enkele personen hadden het geluid wel opgemerkt en nog minder gaven aan er last van te hebben. Ik ben op onderzoek uitgegaan en het bleek te gaan om een melkmachine bij een boerderij in het dal op honderden meters afstand van de camping. Geluid draagt ver.

Wat verkeerslawaai betreft zijn er meerdere vormen: lawaai van wegverkeer, treinverkeer en vliegverkeer. Bandengeruis, knetterende uitlaten, gierende vliegtuigmotoren, toeterende zotten, gillende wielen over ijzeren rails. En de hinder daarvan neemt dus toe. De praktische oplossing die men daar van overheidswege voor heeft bedacht is isolatie van de woningen die onder aanvliegroutes liggen of die gelegen zijn binnen een bepaalde afstand van een spoorlijn of weg. In feite zegt men daarmee: sluit jezelf op, keer je af van de buitenwereld, laat geen omgevingsgeluiden toe.

Je kan een huis helemaal dichtkitten, maar veel bewoners willen contact blijven houden met de buitenwereld. Men wil op het balkon of in de tuin kunnen zitten, men wil met het raam open kunnen slapen, men wil ’s ochtends wakker kunnen worden van prettige geluiden als zingende vogels, ruisende bladeren, lachende kinderen. Het gezang van een vogel in combinatie met stoffige zonnestralen die de slaapkamer binnentreden, da’s fijn wakker worden. Maar in plaats daarvan weren we geluiden van buitenaf en keren we ’s ochtends het zonlicht door rolluiken voor de ramen neer te laten omdat we in de nachtelijke uren eveneens het licht van straatlantaarns willen weren. We bestrijden de overlast van verkeerslawaai door praktische oplossingen aan te dragen die niet het probleem wegnemen maar slechts de symptomen bestrijden.

Onlangs liep ik over het ereveld in Loenen en werd getroffen door het knetterende geluid van de motoren van een groepje ‘toerrijders’ die in de naastgelegen glooiende weg door de bosrijke omgeving een uitnodigende racebaan zagen. De serene rust die zou moeten heersen op het ereveld werd bruut verstoord, verscheurd, aan stukken gereten door een oorverdovend geknetter, voortkomend uit machines die werden bestuurd door lieden die zonder oog voor de schoonheid van de omgeving hun eigen plezier najoegen.

Ik moest denken aan een reis door Burkina Faso, inmiddels 15 jaar geleden. Op een rustige weg door een verlaten landschap parkeerden we onze auto. Het was er stil, stiller dan het ooit in Nederland zal zijn. Er waren wel geluiden, maar die geluiden benadrukten de stilte. Ik hoorde op een gegeven moment een krassend geluid en probeerde het te traceren. Toen ik de richting had bepaald liep ik op de bron van het geluid af, op circa 15 meter bij mij vandaan. Na goed kijken bespeurde ik in een struik een rups, een flinke rups, die bezig was een blad te verorberen. Het geluid kwam van de kauwbewegingen van de rups. Het was een ervaring die in het niet valt bij de grootsheid van het bestaan, maar het is mij altijd bijgebleven. Het kunnen horen van het geluid van de kauwende rups staat bij mij nog altijd symbool voor de stilte.

Als men de honderdduizenden mensen die gebukt gaan onder verkeerslawaai serieus wil nemen moet men de bron van de overlast aanpakken. Pak die gasten aan op knallende motoren, pluk vrachtwagens en auto’s met overdreven brullende uitlaatpijpen van de weg. Laten we met ons allen niet meer lawaai maken dan nodig is om ons voort te bewegen.

Het isoleren van woningen is een lapmiddel. De echte oplossingen zijn te vinden in de vorm van geluidsarm asfalt, het verbieden van uitlaten die het geluid onvoldoende dempen en het handhaven van dat verbod, het eerbiedigen van de maximum snelheid, het strategisch plaatsen van geluidswallen. Geen muren, liever niet. Niemand wordt vrolijk van een metershoge grauwe betonnen muur. Een muur weerkaatst geluid en straalt somberheid uit, een begroeide wal absorbeert geluid en geeft leven aan de omgeving. Mensen moeten weer tot rust kunnen komen als ze thuis zijn. Ze moeten de buitenwereld niet noodgedwongen buitensluiten, maar deze wereld juist binnen kunnen laten. Ruisende bladeren, zingende vogels, tjerpende krekels, lachende kinderen. De juiste geluiden zorgen voor een gelukzalig, ontspannen gevoel.

zaterdag 28 februari 2015

Vriendschap



Het idee was in een opwelling ontstaan. En zoals met al zijn ideeën kon Teun het moeilijk ter zijde leggen. Er had zich een beeld gevormd in zijn hoofd en dat beeld raakte hij niet meer kwijt. Ook dit beeld wilde hij werkelijkheid laten worden. En zoals met al zijn ideeën was het geen kwestie van blijven twijfelen maar van realiseren, uitvoeren, waarmaken. Door deze instelling had hij al vaak zijn neus gestoten, omdat veel ideeën niet goed doordacht waren en daardoor jammerlijk faalden, maar het had hem ook gebracht wat hij nu had: een florerend adviesbureau. Weliswaar met maar één werknemer, maar die werknemer was tevens directeur. En dat stond dus ook op zijn visitekaartje: 'Directeur'. En bij die functie hoorde een uurtarief waar hij, met een gemiddelde werkweek van circa 35 uur, heel behoorlijk van kon leven.

Hij noemde zichzelf een vrije vogel. Soms draaide hij weken van 70 uur, soms nam hij een week vrijaf. Dat alles was mogelijk zolang hij het maar goed plande en afstemde met zijn opdrachtgevers. En dat zal hij nu ook weer moeten gaan doen, want dit waanzinnige nieuwe idee zal voorbereidingstijd gaan kosten. En de uitvoering zal ook de nodige tijd gaan kosten. Tijd en geld. Het riep de vraag op of hij sponsors nodig had. Maar sponsoren zouden eisen kunnen gaan stellen. En een eisenpakket zou hem beperkingen kunnen opleggen. En dat was nou juist waar hij, als vrije jongen, niet van hield. Hij had een creatieve geest die hij helemaal vrij moest kunnen laten, zonder kaders.

Het idee was in hem opgekomen om elf uur 's avonds, nadat hij een documentaire over Ierland had bekeken. Ierland, een land met een fascinerende geschiedenis, jarenlang een emigratieland met een krimpende bevolking maar dat, door de import van met name Polen die er werk hoopten te vinden, vanaf het begin van de 21ste eeuw weer voorzichtig groeide. In de documentaire werd kort aandacht geschonken aan Mount Croagh Patrick, een berg in de buurt van Westport in het westen van Ierland. Deze berg is vooral bekend onder pelgrims die, als het echte pelgrims betreft, op blote voeten naar het op de top gelegen kerkje lopen. Omdat het pad uit losse stenen bestaat is het een zeer pittige tocht. En die tocht wilde hij ook gaan maken, maar dan per auto. Hij wilde de eerste worden die met een auto naar de top zou rijden. Nadat hij zich dat had bedacht kon hij de slaap niet meer vatten. Het bleef door zijn hoofd malen.

De berg oogt als een piramide, is 764 meter hoog en dankt zijn naam aan de beschermheilige van Ierland, Sint Patrick. Maar na zijn geslaagde poging om de top te bereiken zal de berg worden omgedoopt tot Teunberg. Hij zag het al in de reisgidsen staan: excursies naar de Teunberg 'Vernoemd naar de globetrotter en waaghals Teun de Smet die als eerste en enige met een auto de top van de berg wist te bereiken".

De volgende dag belde hij zijn vriend Frank, net als hij een vrije jongen, ongehuwd en altijd in voor spannende uitstapjes. Het verschil tussen Frank en hem was dat Frank bedachtzamer was, voorzichtiger, minder impulsief. Daardoor vormden ze een goed team, die elkaars manco's opvulden. De ideeën kwamen vrijwel altijd van Teun, hij had het creatieve brein van de twee. Frank was goed in het uitwerken van de logistieke kant van de ideeën. Zoals gewoonlijk begon Frank met protesteren, afwimpelen en afkeuren. Overal zag hij beren op de weg. Dat bleek niet alleen uit de intonatie waarmee hij sprak, maar vooral aan het spervuur van vragen dat uit zijn mond kwam. 'Wat is het budget, welke auto wil je gebruiken, wanneer wil je vertrekken, heb je er vergunningen voor nodig?' Altijd vragen waarvan beantwoording remmend werkte op het enthousiasme van Teun, maar die nodig waren om tot een goed en uitvoerbaar plan te komen. Frank was onmisbaar in dat proces. Dat was hij al geweest tijdens hun studie aan de TU Delft. Teun droeg ideeën aan, Frank zorgde voor de stroomlijning, voor de structuur. Hij herinnert zich nog het moment dat hij zijn eerste auto wilde kopen. Die auto moest een alleskunner zijn, een terreinbeul waar je boodschappen mee kunt doen, die zuinig is in verbruik, maar als een speer bij het verkeerslicht kon wegspurten. Er moesten vijf mensen in kunnen, de topsnelheid moest boven de 200 km/uur liggen en het dak moest automatisch kunnen openen. Frank verpestte zijn droom met de vraag: "Wat is jouw budget?". Die vraag bracht zijn mogelijkheden terug tot de aanschaf van een Fiat Panda van 500 euro. Dat werd dus zijn eerste auto. Teun steeg op, Frank zorgde altijd voor een veilige landing.

Elk vrij uurtje werd besteed aan de voorbereiding van hun poging om Mount Croagh Patrick te bedwingen en vijf weken later stonden ze aan de voet van de berg in het dorpje Lecanvey. Ze hadden de auto geparkeerd naast een oude man die wandelstokken verkoopt. Die hadden zij niet nodig. Het enige waar ze de voeten voor wilden gebruiken was voor gas geven en remmen. Vanwege het beperkte budget van 5000 euro was de keuze gevallen op een 19 jaar oude Suzuki Jimny met ruim 2 ton op de klok. De auto was zo goed als standaard. Wel hadden ze de banden en schokdempers vervangen en hadden ze de auto motorisch helemaal nagelopen. Ze hadden geen modificaties aangebracht. Het enige wat de auto's moest kunnen was naar boven en naar beneden rijden, dachten ze. Maar toen ze onder aan de berg stonden drong een lichte zweem van twijfel door het interieur van de Jimny. Teun hoorde Frank 'hmmmmm' murmelen toen ze naar de berg keken.

"Waarom wilde jij ook alweer met de auto naar de top, Teun?"
"Omdat het kan!"
"Dat zeg jij, maar we hebben niet eens een vergunning gekregen".

"Dat was omdat jij zo dom was om daar naar te informeren! Dan maak je slapende honden wakker. Waarschijnlijk heeft niemand ooit bedacht om met een auto naar boven te rijden, maar toen jij met die vraag kwam hebben ze per direct de regel verzonnen dat het niet mag."
"En dus..."
"Dus gaan we zonder toestemming omhoog. Er lopen nog een paar van die sukkels op de berg maar die zullen zo wel beneden zijn. En als ze beneden zijn gaan wij omhoog".

Frank bleef rustig. Zoals hij altijd rustig bleef op het moment dat het avontuur zijn hoogtepunt naderde. Hij had Teun al zo vaak geholpen met het uitwerken van zijn ideeën dat hij precies wist wat de uitkomst zou zijn.

"Heb je al gekeken waar je het beste aan de klim kunt beginnen? Links lijkt het me nogal zompig en rechts is het vooral rotsachtig", merkte Frank op.
"Ik ga voor rechts", antwoordde Teun stellig.

Een kwartier later, toen de laatste bezoekers de parkeerplaats hadden verlaten en er niemand meer op de berg leek te zijn startte hij de Jimny, reed naar de rand van de parkeerplaats, verliet de verharding en begon aan de tocht naar boven. De Jimny schudde en wankelde over het hobbelige pad dat geen pad was. De vegetatie was minimaal. Hier en daar wat taai gras en lage, stugge struikjes die geen partij vormden voor de dappere Suzuki. Na een kleine honderd meter hobbelen over het niet bestaande pad naderden ze het pad van de voetgangers, van de pelgrim die al dan niet op blote voeten naar de top wilden. Het was een vrij breed pad, grijs uitgeslagen van de steenslag en was vrijwel volledig zichtbaar tot aan de top.

"Dit is kinderspel", lachte Teun. De lichtgewicht Suzuki tufte rustig omhoog, af en toe gestoord door een kei onder één van de banden. Het uitzicht aan de rechterzijde werd met de minuut weidser maar het pad werd steeds smaller.

"Doe het raampje dicht. Snel!", riep Frank. Ondertussen sloeg hij zichzelf in de nek en spuugde hij voor zich uit. Midgets, kleine gemeen prikkende muggen zwermden rond de auto. In de luwte van de berghelling zijn ze erg actief en tegen zonsondergang komen ze tevoorschijn. Frank sloeg om zich heen om er zoveel mogelijk te pletten terwijl Teun trachtte zijn aandacht bij het sturen te houden. Het linker achterwiel maakte een klein sprongetje waarna er een doffe klap volgde. Even werd het muisstil in de auto, maar toen bleek dat de klap geen neveneffecten veroorzaakte vloeide de spanning weer weg.

"Blijf goed opletten, het is verraderlijker dan het er uit ziet Teun", waarschuwde Frank.

Teun keek geconcentreerd voor zich uit. De lage gearing hield stand. Het hoefde niet snel, als het maar gestaag ging. Het smalle deel lieten ze achter zich waarna een breed pad zichtbaar werd vol met losse stenen tot aan de top.

"Dat laatste stuk is niet te doen man, kijk die rotsblokken. Zelfs te voet is dit moeilijk".
"We gaan tot waar we niet verder kunnen", zei Teun verbeten. En dat was sneller dan hij had gedacht.
"We moeten stoppen, anders rij ik de Soes aan gort".
"Maar ik wil hoe dan ook de top halen", zei Frank waarna hij uitstapte.

De Suzuki stond op de berghelling met voor zich een strook vol grote puntige rotsen. Een klauterpad, iets anders konden ze het niet noemen. De namiddagzon was bijna verdwenen. Boven de Atlantische oceaan hing een oranje gloed. De stilte op de berg was hoorbaar, ongestoord door geluiden van buitenaf. Alleen hun ademhaling veroorzaakte resonantie in de lucht. Ze klommen langzaam verder, zwijgend. Af en toe gleed een voet weg en ondersteunden ze elkaar. Een dankbaar knikje bevestigde hun vriendschap. Dan, na een paar honderd meter klauteren openbaarde zich het adembenemende uitzicht over Clew Bay en drong het tot hun door waar deze tocht werkelijk om gaat, waarom mensen hier naar boven willen. Het schept een verbintenis. Niet alleen met elkaar, maar met al hun voorgangers die door de eeuwen heen op deze plek stonden. Tien minuten stonden ze zwijgend op de top. Beneden zagen ze lichtjes van voorbij rijdende auto's. Hier en daar sprongen straatlantaarns aan en gingen lampen aan in huizen.

"We moeten terug, anders is het straks te donker", zei Frank.

Afdalen bleek lastiger dan klimmen, maar ze bereikten zonder kleerscheuren de geduldig wachtende Suzuki.

"Help me even met keren, Frank. Ik denk dat ik minstens tien keer heen en weer moet steken".

Frank bleef buiten de auto staan en gaf aanwijzingen. Het werd elf keer steken voordat de Jimny 180 graden gedraaid was. Hobbelend daalden ze af. De nieren dreigden te gaan lopen en de neiging om te gaan wandelen in plaats van rijden groeide met de minuut, maar ze hielden vol. Ze kregen de parkeerplaats weer in het vizier, waar twee witte auto's geparkeerd stonden. Dichterbij gekomen konden ze blauwe zwaailichten op het dak onderscheiden, moeilijk zichtbaar omdat ze uit stonden. Naast de auto's stonden drie mannen in uniform. Frank keek Teun aan, Teun keek Frank aan. Ze wisten wat dit betekende. Het was ook wel te verwachten, maar ze hadden het niet naar elkaar toe willen uitspreken. Ze hadden een missie en wilden die volbrengen, al moesten ze er bepaalde regels voor overtreden. De top hadden ze bereikt, al was het niet met de Suzuki. Maar belangrijker was nog dat deze tocht hun vriendschap nog meer had versterkt, ondanks dat ze de nacht mochten gaan doorbrengen in een cel in het politiebureau van Westport.